zondag 12 februari 2017

Stage lopen op chirurgie: een straffe leerschool!

Vooraleer ik mijn huisartsenpraktijk kon beginnen, moest ik een heleboel stages doorlopen. Eén stage zal ik niet gauw vergeten. In groen kostuum, met wit papieren hoofddeksel en masker: griezelig en grappig ...soms...was ik een "groentje", een stagiaire op chirurgie.

Mijn eerste stagedag op chirurgie zat erop en het beloofde boeiend te worden! Het was 21 uur. De oude lift bracht mij naar de derde verdieping van het ziekenhuis. Na een ouderwets "kling" geluid, draaide ik het roestige, ijzeren hek open en liep naar rechts zoals de verpleegster mij had uitgelegd. Het kamertje voor de inslapende stagiairs bevond zich helemaal op het einde van de gang. Deze verdieping was namelijk niet meer in gebruik. De nonnetjes die vroeger het hospitaal runden sliepen er destijds. Ik liep een beetje op de tast door de smalle duistere gang. Enkele kleine waaklichtjes tegen de grond lieten een zwak schijnsel achter op de muren. Aan beide zijden waren een vijftal deuren die je moest passeren eer je aan je logeerplek kwam. Binnen stonden twee ijzeren bedden met tussenin een kleine lavabo. Uit de kraan kwam alleen ijskoud water. In de hoek zag ik een ijzeren kast, waarvan de deuren pijnlijk krasten als je ze opendeed. Er lag dan ook niets in. Een viersterrenhotel had ik natuurlijk niet verwacht, maar zo’n akelige, eenzame plek, Brr!

Gezien ik niet de dochter was van één of andere professor, en ook geen mensen kende met een lange arm die voor mij een woordje konden voorspreken, was ik natuurlijk in een klein, tweederangs ziekenhuis geparkeerd en niet in het meest gegeerde centrum van de provincie. Toch werd deze stage een unieke kans om ervaring op te doen. Hier, op de dienst heelkunde en op de spoed, ging het niet om "van buiten blokken" maar om echte, praktische handvaardigheden te
verwerven: bloed prikken, intramusculaire inspuitingen geven, wondes hechten, diepe splinters verwijderen, ingegroeide nagels behandelen... allerlei kleine ingrepen die je als huisarts courant moet doen en liefst wat handigheid in hebt.

Een groot voordeel voor mij was mijn tweetaligheid. Gezien mijn collega stagiair bijna geen Nederlands kende, en het aantal Vlaamstalige patiënten toch wel aanzienlijk was in dit ziekenhuis, kwam ik noodgedwongen meer aan de bak. Anderzijds was Frans de voertaal en ik moest het maar verstaan.  

De hoofdverpleegster had alle touwtjes in handen. Zelfs de beide chirurgen schikten zich naar haar orders. Zij bepaalde de volgorde van de operaties, ze bereidde de operatiezaal voor, ze was de instrumentiste aan de operatietafel, ze regelde de opnames en de vertrekken van de patiënten. Deze "commandant majoor" leerde me enorm veel: over steriel werken, over operatie instrumenten, over "hoe een operatie assisteren"... "Vous pouvez fermer" beval ze na de appendicectomie. De patiënt sliep toch en onder het toekijkende oog van de "infirmière chef" mocht ik de operatiewonde sluiten. Zo gebeurde het meer en meer. Na een tijdje verliet zij samen met de chirurg zelfs de tafel en kon ik de operatie afwerken. Zalig gevoel!

Op de consultaties mocht ik de intramusculaire inspuitingen geven. Bijvoorbeeld vitamine B 12 bij een maagpatiënt. Mijn eerste spuit vergeet ik nooit. Toen gebruikte men nog maar pas wegwerpspuiten en de kwaliteit liet soms te wensen over. Het gebruik ervan vroeg enige ervaring want de stamper schoof zeer stroef doorheen de plastic spuit. Dus: om de overtollige lucht uit de spuit te duwen moest je zéér gedoseerd drukken. Het zou me maar één keer overkomen, maar ja:
daar vlogen de vitamines hoog omhoog en dropen langsheen de muur van het kabinet naar beneden! Ik had veel te hard geduwd. Gelukkig was de patiënt nog heftig in gesprek met mijn stagemeester over de komende operatie en kon ik het ongelukje ongemerkt wegwerken.

Op zaterdag ging om zes uur de wekker. Vandaag werkte het labo op halve kracht. Dit betekende dat elke dienst zelf zijn bloedafnames moest verrichten: een unieke kans voor de stagiaire. Ik werd op pad gestuurd met een dienblad vol buisjes in verschillende kleuren en naalden in alle maten. Daarbij een aantal aanvraagformulieren. " Chambre 10, 17 et 22" luidde de opdracht. De eerste keer liep ik met lood in de schoenen en een rammelend dienblad, door de half slapende gang van de verdieping. Zelfverzekerdheid uitstralen en doen alsof het je honderd en éénste bloedname was. Dat zou het beste zijn. Voor mezelf en de patiënt. En het lukte. Halleluja! De volgende afnames gingen vlotter en vlotter zodat ik later met gemak "une prise de sang difficile au numéro 20" onder handen durfde te nemen.

En zo verwierf ik langzamerhand een aantal technieken die me later zeer goed van pas kwamen. Met dank aan de stagemeesters en ook aan de verpleegster "chef majoor!"

zondag 15 januari 2017

Een memorable wacht/nachtdienst


Overdag was het merkwaardig rustig. Iedereen was koopjes gaan doen, denk ik, en de griepperiode was eigenlijk al een tijdje fel afgezwakt. Misschien deze keer een lichte wachtdienst? Niets was minder waar …


Om 20.30 uur brak de hel los. De ene oproep na de andere. Een paar mensen waren bereidwillig om zelf te komen maar om 21.30 uur bleven er nog twee visites over, gelukkig toevallig in dezelfde straat. Ik vertrok, gewapend met mijn GSM én de wacht-GSM en zei aan mijn man dat hij gerust kon gaan slapen als het te laat werd.
 
Ik had nog maar net mijn eerste bezoek afgelegd, een vrouw met hevige rugpijn die ik een pijnstillende spuit had toegediend, of daar rinkelde de wacht-GSM met de urgente vraag onmiddellijk naar de Uithoekstraat 48 te komen voor iemand met ”pijn in de borst”. Een terechte oproep maar aan de hele andere kant van het wachtgebied!

Ik was op vijf stappen van De heer Evert die nog op mijn lijstje stond, maar hij zou moeten wachten want deze oproep ging voor. Dus de auto in en snel naar de Uithoekstraat! Het was intussen pikdonker en deze straat had haar naam niet gestolen want veel verlichting was er niet. De huisnummers waren van uit de auto niet te lezen, temeer dat veel woningen achterin waren gebouwd. Nummer 44 was hier en nu was ik reeds bij nummer 52. Dus even rechtsomkeer en met wat gissen, vermoedde ik dat nummer 48 het huis was vol graffiti… Inderdaad, toen ik de oprit opreed ging de automatische verlichting aan. Was ik bij een sekte beland of een of andere hippe jeugdgroep?

Een slonzige, in zwart geklede man met haar tot laag in zijn rug, kwam haastig naar buiten. Even was ik niet op mijn gemak. Maar toen ik de gezellige kamer betrad en een kerstboom zag staan, ontspande ik. Een vijftiger zat in de zetel en vertelde zijn klachten. Echte angor! Mogelijks een infarct. Snel bestelde ik de ziekenwagen met reanimatie erbij en probeerde hem de ernst van zijn probleem uit te leggen en “ dat het zeer belangrijk was snel te reageren”.

Terwijl ik op de Mug wachtte, kreeg ik werk bij. “Twee kinderen met hoge koorts en felle diarree, of ik kon komen?” “Nee het kon niet wachten tot morgenvroeg, want de kleinste was al twee dagen ziek en nu hadden ze schrik voor uitdroging!” Ik verduidelijkte dat ik nog iemand eerst moest zien en dan langs zou komen.

Intussen was het elf uur geworden toen ik bij Meneer Evert arriveerde. Hij liet me grommend binnen. Hij had zich vanmorgen bezeerd aan zijn scheenbeen tijdens het sneeuwruimen op de stoep. Hij had er toen geen tijd voor genomen om de wonde te ontsmetten en nu begon ze er hoe langer hoe lelijker uit te zien. Aan zijn onderbeen was een lap huid helemaal weggeschoven en errond zag het helemaal blauw. Middenin plakte wat droge vuiligheid. Even vloekte ik inwendig: een vieze wonde op een slecht doorbloede plaats. De huid dreigde af te sterven. Dit had veel eerder verzorgd moeten worden .Waarom was ie toch niet onmiddellijk deze ochtend naar mijn kabinet gekomen? Nu stond ik hier midden in de nacht in een rommelige keuken een wonde te ontsmetten. Geen plaats om iets proper neer te leggen, laat staan steriel tewerk te gaan. Men moest mij hier bezig zien. Ik raadde hem aan de volgende dag naar zijn huisarts terug te gaan om tenminste de eerste keer het verband te vervangen en zijn inenting tegen tetanos in orde te brengen.

Vandaar reed ik naar de” diarree-kinderen”. Waarschijnlijk was ik al herhaaldelijk het huis voorbijgereden, maar die mensen hadden besloten dat ik waarschijnlijk niet meer zou opdagen en dus hun verlichting aan de voordeur uitgedaan! Met mijn persoonlijke GSM belde ik hen: “Kunt u me zeggen waar jullie huis zich juist bevindt? Ik rijd over en weer in de straat en vind het niet!" Ik hoorde een verbaasde slaperige stem zeggen dat ik het kleine wegeltje tussen het café De vette os en de nummer 10 moest oprijden en daar was het! Met nieuwe moed reed ik naar de gegeven plek en effectief daar stond nog een woning! De kinderen waren al in slaap gevallen en werden amper wakker tijdens mijn onderzoek. Dit wees trouwens op niets ernstigs! Maar kijk “ongeruste mama's moeten begrip krijgen” zei mijn moeder steeds. “Jij bent dokter, maar als je als mama met een zieke kleine zit, ben je snel bang!”

Vannacht hield het niet op: Nog een zieke met een hypertensie-aanval en iemand met hyperventilatie: twee tijdrovende visites voor ik mijn bed zou zien. Als ik uiteindelijk rond drie uur in de morgen thuis arriveerde, stond mijn man me ongerust op te wachten. Hij was om twee uur wakker geworden en had mij niet in bed aangetroffen. Nochtans had ik volgens de verwachting al lang terug moeten zijn! Maar hij had geen weet van de tussentijdse oproepen. Hij had me op mijn GSM gebeld maar die was ik tijdens mijn bezoek aan de kindjes in de wagen vergeten! Dit had hem echt alert gemaakt “Er was me toch niets overkomen?”

Gelukkig niet, maar volledig uitgesloten was het in deze tijd niet meer. Meerdere apothekers waren al overvallen in ons gebied. Ze hadden intussen hun winkel omgebouwd tot een versterkt kasteel, met camera's en inkom bellen. En wij huisartsen zetten in de week onze voordeur gastvrij open, reden rond in de wacht zonder enige bescherming, naar alle mogelijke locaties en bij volledig onbekende mensen…

Het was de eerste keer in mijn loopbaan dat ik er mij echt van bewust werd dat ik, als vrouw zeker, mogelijks toch gevaar liep. Ik was blij niet in de volle stad te wonen en te werken, waar het gevoel van onveiligheid al een tijdje tussen de artsen leefde.

 

 

zaterdag 17 december 2016

De tijden zijn veranderd, griep niet!



Een weekend, midden december...

Het was rustig in huis. De kinderen hadden beslist in Leuven op kot te blijven studeren. Ze wisten dat we van wacht waren. Er viel dus weinig te beleven en al dat bellen aan de voordeur en het voortdurend gerinkel van telefoons was alleen maar storend bij het blokken. Wat een gelukkige beslissing ...


Sinds een week was de statistische drempel om van griepepidemie te spreken overschreden en dat zouden we geweten hebben. Het wachtweekend was al lang vastgelegd en we zaten dus midden in het hoogtepunt van de ellende: een memorabele tweedaagse, niet wat betreft de pathologie maar wel in aantal oproepen: verspreid in de tijd en vanuit een groot gebied.

Zaterdagavond liet ik me opgelucht in de zetel vallen. Het was 23 uur. Deze dag hadden we toch al  gehaald: 48 aanvragen voor huisbezoeken, bijna allemaal griep. Velen voelden zich te ziek om zich te verplaatsen of waren met de hele familie tegelijk geveld door het virus. We reden zigzag door de streek. Gelukkig waren er  dappere en goedwillige mensen die naar het cabinet wilden komen . Zo lukte het ons iedereen diezelfde dag nog te onderzoeken.

Nog één dag te gaan. En ja, op zondagavond zaten we aan 99 oproepen. Moe, maar gelukkig dat we het gemanaged hadden, gingen we de nacht van zondag op maandag in. Ongelofelijk maar waar: om 06.30 uur kreeg ik een telefoontje van een eigen patiënte, voor een acute buikpijn die ik alleszins nog voor 08uur( het begin van de normale werk week) moest bekijken. Het was trouwens een appendicitis. Maar was het toeval? De honderdste patiënt! (Ik wens het geen andere wachtdokter toe).

Als ik er goed over nadacht, was het hele weekend vol banale ziekteverschijnselen. Saai in feite. Toch moest je bedacht blijven op hier of daar een verraderlijke onderliggende ziekte. En de zwakke personen met een chronische ziekte moest je extra in het oog houden.
 
En je deed steeds opnieuw dezelfde uitleg:
  • "Neen, mevrouw, antibiotica gaan niet helpen. Je kan echt wel een aantal dagen hoge koorts hebben en je heel ziek voelen, griep is niet te onderschatten."
  • " Ja maar ......"
  • " Het is normaal dat je je heel flauw voelt , we zien meer syncopes in de griepperiode"
  •  "Ja maar ....." 
  • "Ja, ik begrijp het, in deze tijd is de werkdruk groot en heeft men geen tijd meer om ziek te zijn, maar geloof me, het is beter te luisteren naar je lichaam en je eigen immuunsysteem het gevecht met het virus te laten aangaan. Op termijn word je er sterker van."  enz.
Ik hoorde mezelf altijd hetzelfde herhalen en ik droomde weg naar mijn oude stagemeester , die nog maar naar de patiënt moest kijken en met een autoritair woordje zeggen :" Ik zie het al, je hebt griep. Neem aspirine en kruip in je bed. Als je binnen een week niet beter bent, kom je terug."

Niemand twijfelde aan zijn woorden. Het was onvoorwaardelijk juist. Hij had soms nauwelijks geausculteerd, soms nog door de kleren door, en hij verkondigde zelfverzekerd zijn onfeilbaar besluit. Zo loodste zijn ervaring en het blinde ontzag van een ongeïnformeerd publiek hem gemakkelijk, zonder teveel tijdsverlies door een drukke dag .

Tijden zijn veranderd. Mensen mondiger en dokters meer aanspreekbaar: in de meeste gevallen is dit een positie evolutie. Maar met griep ben je als moderne mens nog even ziek als vroeger.

woensdag 16 november 2016

Als de angst voor medische behandelingen fataal wordt ...

Ik kon de slaap niet vatten. Het verhaal van Mira bleef door mijn hoofd spoken...

Het was lang geleden dat ik haar nog gezien had. Nu kwam ze voor een griepvaccin en vroeg een kleine algemene controle. In zo'n geval  nam  ik uiteraard  de bloeddruk maar luisterde ik ook naar hart en longen. Ze tilde haar blouse op en maakte haar BH los. Was het door de lichtinval of door de hoek waarin ik stond en haar bekeek?


Alleszins was er een welving boven de linker tepel die onmiddellijk mijn aandacht trok. De huid was er ook niet helemaal normaal. In medisch jargon noemen we het een appelsienenhuid. Zo kan je het je werkelijk voorstellen: een oneffen huid met mini-putjes, over een kleine zone. Bij haar: in het midden boven de linkertepel.
Ik wist meteen wat het betekende! Ik zei er iets over en betastte de regio. De knobbel voelde hard aan en was niet verschuifbaar. Geen goed teken!

Mira was een vrouw van middelbare leeftijd, de betere middenklasse, helemaal niet preuts en zeker niet ongeletterd. Haar man was een bedrijfsleider en dikwijls in het buitenland. Ze moest toch al gehoord hebben van preventief borstonderzoek? Ze moest de knobbel zeker gemerkt hebben! Ik dacht dat ze geregeld naar de gynaecoloog ging? Zo had ze me toch vroeger gezegd, toen ik haar voor het eerst had ingeschreven in de praktijk.
Deze klinische vaststelling verbaasde me dus geweldig. Maar nadat ik haar mijn bevindingen en mijn vermoeden van mogelijke( in mijn hoofd zekere) kwaadaardige borsttumor had meegedeeld, stond ik verbijsterd te luisteren naar haar antwoord.

"Ze wist van het gezwel, maar ze wou wel eens weten wat ik erover dacht. De gynaecoloog had het haar effectief  verteld een paar maanden geleden. Ze had Mira een operatie voorgesteld: een gedeeltelijke of volledige mammectomie (borstamputatie) al naargelang de biopties tijdens de ingreep. Ze had verteld dat er nadien radiotherapie zou volgen en hormonenpillen voor lange tijd."
Mira had er zelfs niet met haar man over gepraat maar voor zichzelf beslist dat ze deze behandelingen veel te agressief vond. Met zo een verminkt lichaam zou ze niet kunnen verschijnen voor haar man. Ze zou maanden kaal zijn door de behandeling. Ook dit zou ze niet aankunnen. Ze was dus naar een natuurdokter in het buitenland gestapt en kreeg een hele boel voedingssupplementen, anti-oxydans en een dieet voorgeschreven. Ze had er zeer veel geld voor neergeteld...
Als dat geen charlatanerie was!!

Voor mij was het een shock.
Met al mijn overredingskracht heb ik haar naar haar gynaecoloog teruggestuurd. En haar gezegd dat ze de "spullen" van de natuurdokter gerust mocht nemen , maar zeker de klassieke geneeskunde niet volledig laten vallen. Dat ze in vertrouwen met de gynaecoloog moest overleggen, al haar bezwaren en angsten voorleggen om met hem samen de meest doeltreffende maar minimaal ingrijpende behandeling uit te dokteren.
Jammer genoeg heb ik Mira niet veel later moeten begeleiden op haar sterfbed. Ze had blijkbaar al metastasen (uitzaaiingen). Een spontane fractuur in de nek is haar dood geworden. Zo een triest verhaal ...

Intussen realiseerde ik me, piekerend in het donker, dat wat wij als artsen soms voorstellen aan patiënten (zware ingrepen , risicovolle onderzoeken ....)  sommige patiënten  niet aan kunnen. Ze gaan op zoek  naar alternatieve oplossingen voor hun kwalen: pijnloze gemakkelijke behandelingen, voorgeschreven door charlatans, troostende woorden van veelbelovende waarzeggers, een bedevaart, gebeden tot een God waarin ze al lang niet meer geloofden ...

Ik MOEST ten alle prijs proberen te voorkomen dat patiënten in al hun angst en hopeloosheid toevlucht zouden nemen tot zinloze acties, dure remedies of gevaarlijke "hulpverleners".

dinsdag 18 oktober 2016

Patiënt (huisbe)zoek!

Het regende pijpenstelen en het was al bijna donker buiten. Niet bepaald een ideaal moment om naar een uithoek van ons gebied te rijden. Maar het had ernstig geklonken aan de telefoon. "Luister eens naar hoe mijn dochter ademt, dokter! Zo had de man gevraagd. Hij had de hoorn kort bij de patiënt gehouden en ik had een zeer spastische en moeizame ademhaling gehoord. "Kunt u zo vlug mogelijk komen, alstublieft? Ik was meteen in de auto gesprongen.

Het was niet zo makkelijk het juiste huis te vinden. Door de beperkte straatverlichting kon ik de nummering op de huizen erg moeilijk lezen vanuit de wagen. Ik had geluk, ik kon net voor de woning parkeren. Ik stond voor een bescheiden rijhuis, dat er wat vervallen uitzag. Bij het aanbellen kwam mij vanachter de voordeur luid geblaf tegemoet. Een hond sprong wild tegen de voordeur aan in de gang. Ik wachtte even maar er volgden geen voetstappen. Niemand kwam opendoen. Ik belde nogmaals aan. Opnieuw hetzelfde scenario. Geen mens te bespeuren. Doorheen het gat van de brievenbus zag ik de hond op en af lopen in de gang.

Wat nu? Een kwartier verliep. Ik begaf me terug naar mijn wagen. Ik besloot een briefje te schrijven dat ik op die datum, dat uur, aan de deur geweest was en stopte het in de bus. Ik wilde zeker niet het risico lopen dat men me van nalatigheid kon beschuldigen. Maar ik voelde me er allesbehalve gerust in, het had ernstig geklonken. Dit had ik nog nooit meegemaakt: een dringende oproep, en de patiënt is niet thuis!
Ik wilde net vertrekken toen ik in mijn achteruitkijkspiegel een wagen zag naderen en afremmen. Daar was blijkbaar mijn patiënt!
Een man stapte uit en zijn dochter, toch al een volwassen meisje, volgde hem. Ze liepen naar binnen en gebaarden naar mij: "kom maar!, alsof er niets aan de hand was, de normaalste zaak van de wereld dat de dokter van wacht, in urgentie opgeroepen, aan hun deur stond te wachten... 


Enigszins verbaasd, en toch wel ongelovig dat de man zich blijkbaar niet bewust was van de tijdverspilling en stress die hij mij had berokkend, startte ik mijn onderzoek. Het meisje bleek te lijden aan een ernstige spastische bronchitis, maar weliswaar geenszins in die mate dat haar vader dringend een dokter hoefde te mobiliseren zonder duidelijke uitleg. Een paar ventolin inhalaties brachten al snel soelaas. Het regelmatig inhaleren van langwerkende middelen en een kuur antibiotica zou zeker haar acuut probleem oplossen.

Maar daarnaast kreeg ze samen met haar papa nog een preek over stoppen met roken. Ik voelde me zelf al half vergast door de doordringende muffe sigarettenlucht die in de woonkamer hing. Hier werd duchtig nicotine gebruikt, dat was aan alles te zien en te ruiken. Met mijn gezondheidspreek kon ik stiekem mijn opgekropte ergernis wat kwijt.

 

zaterdag 3 september 2016

Terug naar school!

Woensdag was de dag van de bijscholingen. Gelukkig vonden we dit beiden plezierig, het was voor ons een avondje uit! We regelden een babysit en hoopten dat de raadpleging niet te lang zou uitlopen. De kinderen vonden het ook plezant; van de jonge babysitters mochten ze altijd fijn wat langer opblijven.

 

Voor ons was het de gelegenheid een praatje te maken met de collega's over de heersende kwaaltjes en epidemieën, de ergernissen over de politieke beslissingen betreffende ons beroep of andere spectaculaire verhalen. Maar het was vooral een kans om iets bij te leren of op zijn minst bevestigd te worden in wat we aan het doen waren. Want er verandert constant wel iets in de medische denkwijze. Dan moet je hormonen voorschrijven in de menopauze en een paar jaar later is het volledig uit den boze en ben je verouderd als je het nog doet. Dan moet je absoluut antibiotica geven en een paar jaar later is het doodzonde als je het voor dezelfde diagnose nog doet. Enzovoort, enzoverder. 

Soms werden we weggeroepen uit de vergadering voor een dringende oproep. In die jaren ging het nog zo, dat de babysit naar de zaal belde waar wij ons bevonden om de oproep door te geven. Later hadden we een bieper mee, die ons verwittigde dat er thuis een oproep was binnengekomen en we naar huis moesten bellen. En pas nog een aantal jaren later hadden we een GSM mee waarop de mensen ons rechtstreeks konden bereiken.
Een heel rustige uiteenzetting was het dus nooit, want gezien het aantal aanwezige dokters was er altijd wel iemand die opgeroepen werd!

Het moet gezegd worden dat steeds dezelfde artsen de lessen volgden. Anderen zag je nooit op de bijscholing. Lazen die veel of wisten die het allemaal al? In ieder geval, wij vonden het meestal leerrijk en leuk om nog eens ex cathedra een les bij te wonen, zeker als het een prof uit Leuven was, onze roots!
Het was merkwaardig en bewonderenswaardig hoe zeer oude collega's hun best deden bij te blijven door die woensdagavonden bij te wonen. Ze hoorden soms niet meer zo goed, maar ze waren present! Sommige hebben dit volgehouden tot ze hoogbejaard waren. Zo oud waarschijnlijk als het merendeel van hun patiënten zelf vermoed ik...
“Kan je op die leeftijd nog alle moderne medicatie kennen, van alle moderne methodes op de hoogte zijn?”
“Zijn je handen niet te bibberig en zijn je zintuigen nog goed genoeg?”
“Ben je wel nog voldoende alert en functioneert je geheugen nog ten volle?”
Het waren toch bedenkingen en angsten die bij me opkwamen, ondanks de achting en respect dat ik voor hen had.

In die jaren kwam het bericht dat het RIZIV ons doen en laten ging controleren en becommentariëren. Ineens zaten we niet enkel af en toe nog op de schoolbanken, we zouden ook rapporten krijgen! Er kwamen verslagen over ons voorschrijfgedrag en alles zou in cijfers en grafieken uitgedrukt worden en vergeleken met de collega’s… Hoeveel kinesitherapie je voorschreef per jaar, bijvoorbeeld. Of voor hoeveel geld je gebruik maakte van radiologie en laboratoriumtesten. Hoeveel keer je antibiotica gaf aan patiënten, en welke.

Wat antibiotica betreft, waren we het zeker eens met het invoeren van meer controle. Het moet gezegd worden dat er op grote schaal teveel antibiotica werd gegeven. Toen ik jong was al slikten vele kinderen teveel antibiotica, misschien zelfs tetracyclines, met alle gevolgen van dien voor het gebit. Gelukkig werd dit overmatig gebruik ook in de pers aangeklaagd. Laat ons hopen dat de juiste mensen bewust zijn geworden van het gevaar van resistentieontwikkeling, en daardoor ook de risico's voor de individuele mens en de volksgezondheid in het algemeen.
Maar toch gaf het een benauwend gevoel om op alles gecontroleerd en in het oog gehouden te worden. Het was indrukwekkend te constateren dat elke actie die je als arts nam, traceerbaar werd en in detail kon worden opgeroepen. Maar anderzijds was het natuurlijk de bedoeling misbruiken en excessen op te sporen en de budgetten van het ziekenfonds te sturen en te beheren.

Ik had niets te vrezen. Zolang je onder de "gemiddelde profielen" zat, was er niets aan de hand. En meestal, indien je cijfers wat afweken van het gemiddelde, was  daar ook wel een verklaring voor. Zo had ik intussen een al wat ouder patiënteel en was het logisch dat voor wat betreft bloeddrukverlagende medicatie en  cholesterolverlagers ik een beetje aan de hogere kant scoorde. Jonge artsen met een zeer jong publiek hadden waarschijnlijk wat meer antibioticagebruik nodig.
Eén keer was er een algemeen overzicht gestuurd van alle medicatie die ik had voorgeschreven op een jaar en daar zat een enorme piek tussen, die ver het gemiddelde overschreed: ik had namelijk een patiënt met een zeer uitzonderlijke aandoening die enorme hoeveelheden ADH nodig had. Dat was een zeer duur medicijn, maar het was volledig verantwoord en zelfs levensreddend voor haar. De patiënte in kwestie had namelijk een volledige insufficiëntie van haar hypofyse en haar volledige hormonale evenwicht moest kunstmatig aangevuld worden: cortisone, thyroxine, insuline en A(anti) D(iuretisch) H(ormoon).
 
Vanaf het moment dat de rapporten werden ingevoerd, ontvingen we dus regelmatig dikke pakken brieven met gedetailleerde statistische berekeningen en grafieken. Ergens gaf het ook een leuk en bevestigend gevoel te zien dat we in het middenveld lagen ten opzichte van collega's. Er waren zelfs schetsen bij, waarin je geprofileerd werd ten opzichte van de kleine groep artsen van je wachtgebied. De bedoeling was dat deze resultaten dan onder mekaar in de groep zouden besproken worden tijdens een van de intussen verplichte gespreksgroepen.
Want waar bijscholing eerst op eigen initiatief was, was intussen een heel systeem “uitgedokterd” om elke arts naar verplichte lessen te krijgen. Voor mij en mijn echtgenoot was dit zoals gezegd geen straf, maar ergens werd je als arts toch weer een beetje beknot in je vrijheid. We moesten een aantal ”punten” behalen per jaar om onze erkenning als volwaardig huisarts te behouden, en inhoudelijk moest je ook een barema halen; een percentage van de lessen moest over louter wetenschappelijke materie gaan en een ander over deontologische problematiek. En paperassen waren er ook genoeg: telkens we een bijscholing gevolgd hadden, moesten we een stempeltje vragen aan de lokale verantwoordelijke van onze kring.

Op het eind van het jaar werden we gevraagd speciale formulieren in te vullen en om de 5 jaar moest alles naar het RIZIV worden opgestuurd. Terug naar school!
Voor sommigen was het dan bang afwachten of de quota wel gehaald waren, want af en toe werd een les door omstandigheden niet aanvaard. Als het dan op enkele punten aankwam, riskeerde je je erkenning kwijt te spelen met alle gevolgen van dien voor de terugbetaling van je patiënten! Gebuisd, dus...

zondag 21 augustus 2016

(Ziekte)verlof

"Ik had het wel gedacht! zo zei Steven, nadat ik een kwartier met hem had gediscussieerd. Boos verliet hij het cabinet. Het was maandagochtend en voor de zoveelste keer had hij zich "ziek aangediend.


Voor mij was de maat vol. Ik had hem verwittigd: hij kreeg geen ziektebriefje meer als de zaak zich zou herhalen. Hij was namelijk elke maandag “ziek". Dat is te zeggen: in het weekend ging hij zwaar uit om het ’s maandags te bekopen met een stevige kater. Zijn baas had mij al gecontacteerd omdat hij die afwezigheden zeer bedenkelijk vond. Zonder hem over de juiste toedracht in te lichten, begreep ik de man volkomen! Ik had al veel speeksel verbruikt om Steven tot een ander gedrag aan te manen en hem verteld dat ik die afwezigheden niet langer kon en wou dekken. Ik benadrukte dat hij zijn baan dreigde kwijt te spelen, en dat hij verantwoord moest leven en zorgen dat hij de eerste weekdag paraat kon staan op zijn werk! Dat hij zich desnoods moest laten begeleiden. Nu het zover was, was Steven razend op mij...

Moeilijk toch om trouwe patiënten soms tot een eerlijk inzicht te laten komen. Ik vermoed dat sommigen denken dat wij zomaar ziektebriefjes kunnen schrijven - alleen maar een handtekeningetje zetten, toch? Maar een doktersbriefje was en is in mijn ogen een bewijs van echte ziekte, geen vakantievergunning! Telkens deed ik mijn best om heel menselijk en rechtvaardig te oordelen, maar ik moest wel mijn geweten volgen en eerlijk handelen, toch? Steeds wanneer ik een briefje voor werkonbekwaamheid weigerde mee te geven, zat de kans erin dat patiënten wegbleven en bij een andere collega hun geluk beproefden. Soms met hun hele familie erbij. 

Ondanks deze instelling liet ik me zonder twijfel toch al eens in de luren leggen of werd ik voor voldongen feiten geplaatst.

"Ik heb verschrikkelijke hoofdpijn, dokter!" Bij onderzoek: weinig duidelijke signalen. Geen typische migraine. Geen tekens van hersenoverdruk. Geen bloeddrukproblemen. Maar kom, een dagje rust leek toch op zijn plaats. ééntje. Het kon stress-headache zijn? Of onderliggende gezinsproblemen? Rugpijn.... ook zo een klacht waar je soms weinig evidente klinische tekens bij terugvindt! Op te lossen met wat rust? En dan de occasionele patient die op de avondraadpleging opdaagt met het verhaal: "Ik heb de hele nacht en voormiddag overgegeven en diarree gehad, dokter. Nu gaat het beter, maar ik ben niet naar mijn werk kunnen gaan!" Daar sta je dan... Vooruit met dat briefje! Meestal, eens je de teleurstelling: "maar één dagje?" aan de mimiek of de reactie kon merken, wist ik al: "ik ben gefopt! Het zou me geen tweede keer overkomen. Maar zo eenvoudig is het niet.

Met de evidente straffe verhalen of rechtstreekse vragen om vakantiedagen te maskeren als ziekteverlof, had ik het niet moeilijk. Bijvoorbeeld: "Dokter, ik moet een paar dagen bij mijn dochter gaan helpen want volgende week verhuist ze. Kan je me een briefje geven om thuis te blijven? Op dergelijke flagrante voorstellen kon ik echt niet ingaan. En ik vrees dat als je als dokter één keer aan zoiets toegeeft, je voor de rest van je loopbaan constant geconfronteerd wordt met zulke vragen. Je reputatie als "gemakkelijke briefjesschrijver" zal vlug de ronde doen.

Voor echte ziektes, alle begrip. Maar omwille van een goedkoop vakantieticket, een snel zwart jobje of een geveinsde kwaal moest je niet aan mijn adres zijn. Sorry, maar noppes!