woensdag 21 juni 2017

Om naar spoed te gaan, moet je ... tijd hebben

Toen mijn vader ernstig ziek werd, belandde ik met hem op de spoed. Het was een hele ervaring. Buiten het feit dat ik erg bezorgd was om de gezondheidstoestand van mijn papa, werd ik op dat ogenblik zelf geconfronteerd met wat patiënten me al herhaaldelijk hadden verteld: “Spoed is geen spoed meer, dokter!” Die dag stond ik mee aan de zijde van de patiënt, voor het loket van de spoeddienst… aan te schuiven! 

Met verbazing zag en hoorde ik alles gebeuren en besefte plots beter het werkingsmechanisme van de spoeddienst en de overbezetting van de raadplegingen bij specialisten.

Er stonden vrij veel “zieken” die uit eigen houtje naar de urgentiedienst waren gekomen omwille van een of andere kwaal, waarvan ze dachten dat de huisarts er toch geen raad mee zou weten en hen toch naar de urgentiedienst zou sturen. Tussen hen stonden patiënten die door hun huisarts persoonlijk verwezen waren, omdat zij binnen een normale termijn geen afspraak hadden kunnen bekomen bij de specialist die hun huisarts nodig achtte

Wat mijn vader betreft: Ik volgde hem reeds jaren op voor zijn bloeddruk, maar in se was hij een gezonde man. Tot de dag dat mijn moeder in paniek belde met het bericht dat hij van zijn stoel was gevallen, zomaar, terwijl hij aan het eten was aan tafel. Hij was er zich nadien niet van bewust, hoe hij op de grond was terecht gekomen. Verder mankeerde hij niets. Een black-out, zou je zeggen. Voor mij was dit een alarmteken, zeer waarschijnlijk had hij een TIA gedaan, een trans-ischemisch attack, of nog beter uitgelegd een kortstondige obstructie van de doorbloeding van een deeltje van de hersenen.

Dit is een ernstige reden voor verder nazicht: op zoek naar de oorzaak? Een behandeling? Wat met de toekomst?

Ik reed dus met hem naar de spoedafdeling van een naburig ziekenhuis. Aan de balie stonden, zoals gezegd, verschillende mensen te wachten. Papa liet ik intussen zitten in de “wachtzaal van de spoed” terwijl ik braaf de "file "deed aan het loket:
  • Voor mij stond een dame met een 10-jarig jongetje. Dat vernam ik toevallig want hoewel hij de geaccidenteerde was, vertelde hij levendig over zijn verjaardagsfeestje, waar zijn vriendje hem per ongeluk had omvergelopen aan het springkasteel. De jongen had een onooglijk klein wondje ter hoogte van zijn knie en ik had ongelooflijk veel zin om hem bij mij te nemen en zelf te verzorgen .
  • De persoon voor hem was intussen aan de secretaresse aan het uitleggen dat hij zeer veel jeuk had in zijn rechter oor en dat hij vermoedelijk terug(!) een oorstop had. Die moest er zeker vandaag(zondag) nog uit, want hij kon het niet meer uithouden! Nog zo'n geval, echt voor de spoedafdeling!!
Ik stond daar als huisarts compleet gefrustreerd. Mijn vader had een ernstige incident doorgemaakt, mogelijks zelfs levensbedreigend. Hij moest zijn beurt afwachten en al deze prullaria laten voorgaan!

Het was overduidelijk: Als je echt iets ernstigs hebt, laat je je beter door de ziekenwagen naar het ziekenhuis brengen, dan is het meteen jouw beurt. Gek toch, de zogenaamde “urgentiedienst” in deze tijd. De wachtzalen zitten er vol en je wacht dikwijls enkele uren.

Tweede besluit: Je bent sneller bediend bij de huisarts
Door iedereen zonder gerichte doorverwijzing vanuit de eerstelijnsgezondheidszorg toegang te geven tot de specialisten en de spoed, is een overrompeling van al die diensten op gang gekomen, waar de serieus zieke personen dreigen onder te lijden. Ook overconsumptie is op die manier in de hand gewerkt.

Als een patiënt op één of andere dienst en afspraak wil boeken is de wachttijd soms eindeloos. Wat ben je met een afspraak drie maanden later als je huiduitslag hebt of een oogontsteking of een ergere kwaal? Als je zegt dat het dringend is verwijst men je naar de spoed. Zo geraakt die dan weer overbelast met matig dringende zaken. 

Ben je op spoed geweest en daar onderzocht, zorgt men ervoor dat je sowieso een controle-afspraak krijgt bij de specialist van de aandoening waarvoor je kwam. Zo is het cirkeltje rond. Een continu overbelaste spoed en een continu volgeboekte raadpleging.

Als huisarts moest ik soms echt ingrijpen en zelf de telefoon nemen om voor mijn patiënt te pleiten en tijdig de juiste specialist te pakken te krijgen. Twee keer ben ik uit de bol gegaan aan de telefoon. 
  • Toen meneer X. plots een zeer slechte bloedname had en zwaar in nierinsufficiëntie ging, kreeg hij pas twee maanden later een afspraak want "alles was volgeboekt". Ik moest de nefroloog aan de lijn vragen. Blijkbaar vond die toch een gaatje om hem te ontvangen diezelfde dag.
  • En toen Mejuffrouw Y met haar open gips een consultatie aanvroeg om een vernieuwing van haar plaaster te krijgen, zou ze de volgende maand pas kunnen gezien worden! Ik was verplicht een beetje te dreigen met “de directie aan te spreken” om voor haar een snel consult te bekomen. Maar het kwam plots in orde.
Voor mijn vader trok ik ook mijn stoute schoenen aan en gelukkig is hij doeltreffend behandeld geweest.

Zou er nu echt geen beter systeem bestaan om het ernstige van het onschuldige te selecteren zodanig dat ieder naargelang zijn ziekte op redelijke termijn de juiste dokter kon zien?

vrijdag 19 mei 2017

Ik was niet fier op mezelf. Ik wist niet wat er misliep bij deze patiënte…

De telefoon rinkelde in de verte. Neen! Het was naast mijn bed! Ik was nog zo diep in slaap dat ik mij pas na een vijftal keer bellen realiseerde dat ik het was die moest opnemen. Mijn arm tintelde en met wat onhandige gebaren en na het omgooien van de wekker, hoorde ik:"Dokter, kan je onmiddellijk komen? Mijn dochter is echt niet goed. Ze kan met moeite ademen en heeft vreselijke buikpijn."


Nu was ik helemaal wakker, schoot vlug in mijn kleren, liep de trap af, raapte mijn stethoscoop, mijn bloeddrukmeter, mijn papieren, (die klaar lagen op het bureau om morgen de raadpleging te starten), mijn ampullen, enfin, alle nodige spullen bij mekaar, en haastte me in de wagen.

De combinatie ademnood en buikpijn riep bij mij niet meteen een mogelijke diagnose voor de geest. De paar keren dat ik deze klachten bij mekaar had horen vermelden, was bij kleine kinderen met een pneumonie. Het was me nooit helemaal duidelijk geworden of de buikpijn in die gevallen de vertaling was van " ik voel me rot" zoals dikwijls bij kleine kinderen het geval was, of een gevolg van abnormale oppervlakkige ademhaling en zuurstoftekort, door de pneumonie?! Ik vermoed een beetje van beide.

In ieder geval, hier ging het om een meisje van 16 jaar, dus geen klein kind meer, de oudste in een welstellend gezin, zeer rebels en tegendraads, had haar moeder me reeds verteld. Daar kon ik enig begrip voor tonen, want sinds een paar jaar was bij haar door de pediater jeugddiabetes vastgesteld en stond ze op insuline. Een ernstige diagnose met een veeleisende therapie en discipline: niet makkelijk voor een adolescent!

Toen ik bij het meisje aankwam, zat ze rechtop in bed. Liggen was moeilijk, zei ze, omwille van het ademen en zitten deed pijn aan haar buik. Ze voelde zich ellendig. Bij auscultatie hoorde ik niets abnormaals, geen inspirator noch expiratoir piepen, geen gelokaliseerde reutel. Haar buik was volkomen soepel. Ik stond enigszins voor een raadsel. Haar bloedsuiker was aan de hoge kant maar niet om onmiddellijk te paniekeren. Wat was hier aan de hand?

Even dacht ik dat ze aan het hyperventileren was? En zou ze misschien zwanger zijn en het niet aan haar mama durven te vertellen? Beide klachten zouden op die manier wel een uitleg gekregen hebben? Snel had ik door dat deze veronderstellingen louter speculatie waren en niet medisch gegrond. Ten andere, de patiënte zelf bleef stellig deze hypothese ontkennen. Ik mocht niet aarzelen. Er zat niet anders op dan snel het kind naar het ziekenhuis te verwijzen zonder vermoeden van de juiste diagnose. Dit overkwam me niet dikwijls, al zeg ik het zelf. Meestal kon ik al een richtinggevende diagnose meegeven. Ik was gefrustreerd.

Later vergaf ik het mezelf, als ik vernam dat ze " een metabole acidose" had, een moeilijke diagnose, maar een ernstige, mogelijks levensbedreigende complicatie van haar suikerziekte. Gelukkig was ze tijdig in het ziekenhuis en is het goed is afgelopen.

dinsdag 18 april 2017

Als je als jonge arts getuige bent van een ongeval op straat

Als jonge, beginnende arts was ik getuige van een ongeval op de weg. Het was mijn deontologische plicht iedereen in nood ter hulp te komen. Een man lag op grond naast zijn moto en een wagen was scheef ernaast tot stilstand gekomen. De autobestuurder zat geknield naast de man. Ik parkeerde mijn wagen snel aan de kant en liep naar de bewegingsloze figuur op de grond.

Het moest pas gebeurd zijn. Er was nog geen GSM en het eerste naburige huis stond op honderd meter. De gekwetste persoon was bewusteloos en de bestuurder van de wagen probeerde hem op te tillen. Hij zei dat hij hem naar het ziekenhuis wilde voeren… Ik vertelde hem dat ik dokter was en dat dit geen goed idee was, dat hij beter naar het huis kon rennen om hulp in te roepen en intussen de voorlopige bewaking van de gekwetste aan mij overliet. Dat we hem zeker zomaar niet mochten verplaatsen.

Zijn blik sprak boekdelen. "Met wat bemoeide ik mij?" Zo'n jonge vrouw ging hem de les eens spellen?" Er was geen zeggen aan. Dat was duidelijk! Nodeloze tijd verliep. Uit nieuwsgierigheid had zich intussen een groepje mensen rond ons verzameld. En gelukkig was één van hen de hulpdiensten gaan oproepen. De nachtmerrie was over. Dacht ik. Ik hoorde al de toeters van de verlossende ziekenwagen.

En daar stopte de politiewagen met zijn zwaailichten en iedereen maakte plaats. De betrokken bestuurder en ikzelf bleven zitten bij het slachtoffer.
"Van wie is die wagen daar?", was de eerste vraag van de politieman, wijzend naar mijn auto.
"Van mij", zei ik. "Ik ben dok...."
"Weet u dat u de weg belemmert zo?"

Dit was er voor mij teveel aan. Met mijn beetje resterende kalmte legde ik uit dat het ongeval mij ernstig had geleken.
Dat ik niet de tijd had genomen om zorgvuldig na te gaan of mijn voertuig wel volgens het boekje geparkeerd stond.
Dat ik de vitale parameters bij de gekwetste de hele tijd had in het oog gehouden.
En dat ik onmiddellijk zou vertrekken als de professionele hulpverleners ter plekke waren.
Het scheelde geen haar of ik kreeg een boete.

Geen leuke ervaring dus. Veel kan je als huisarts meestal niet doen in zulke situatie, bij een ongeval op de openbare weg. Vooral beletten dat er geen domme dingen gebeuren in die eerste minuten na een accident. En toch: een zeldzame keer kan een levensreddende actie, zoals de ademhalingswegen vrijmaken of een bloeding stelpen bepalend zijn voor de afloop van het ongeval en de toekomst van het slachtoffer.

 

vrijdag 17 maart 2017

Dokter zijn als je patiënt je niet begrijpt (letterlijk)

Het was een vrij nieuw fenomeen: de vele anderstalige patiënten. We woonden relatief dichtbij een OCMW-centrum en er was een afspraak met de sociale dienst, dat inwijkelingen via hen naar ons konden worden gestuurd in geval van medische problemen.

Dikwijls was het niet makkelijk goede geneeskunde te bieden aan deze nieuwkomers.
-          Ze waren onze taal helemaal niet machtig
-          en de beleving van hun ziekte was ook volledig verschillend van onze gewoonten om met ziekte om te gaan.
-          Angst overheerste meestal het tableau. Bij sommigen was een zekere overdrijving van de klachten de uitweg om zich duidelijk te maken.

Gelukkig hadden we Babel: een tolkbureau. Je kon er elke morgen en namiddag naartoe bellen om over de telefoon hulp te krijgen bij de consultatie: in zeer veel verschillende talen: Russisch, Turks, Bulgaars, Tsjetsjeens … noem maar op. Ze vonden telkens wel iemand die de taal van de patiënt kende. Een dergelijke consultatie was wel tijdrovend, maar het gaf me tenminste het gevoel met mondige patiënten bezig te zijn. Met mensen. Het ging zo: Als dokter belde ik naar Babel. Ik moest de taal van de patiënt doorgeven en even wachten tot ze een geschikte tolk gevonden hadden. Ik gaf mijn telefoontoestel aan de patiënt, die zijn verhaal aan de tolk kon doen in zijn eigen taal. Die vertaalde de klachten van de patiënt naar mij toe. Na onderzoek belde ik terug om door diezelfde tolk aan de patiënt mijn conclusies en therapeutisch voorstel te laten uitleggen.

Die avond sloot ik de voordeur stipt om 19 uur. Dit was het uur waarop de raadpleging normaal zou eindigen maar in realiteit was dat zelden het geval. Integendeel, vijf minuten voor 19 uur glipten meestal de laatste patiënten nog binnen in de wachtzaal. Daar hielden we rekening mee. Vele mensen werkten immers laat of stonden soms (on)verwacht in de file na het werk. Maar vanaf september, oktober was het op dat uur al donker op straat en om veiligheidsredenen, deed ik de voordeur in het slot. De apotheker in onze straat was al twee maal overvallen en dat was beangstigend. Wie tijdig in de wachtzaal zat werd natuurlijk nog bediend.

Rond kwart voor acht werd er aangebeld. Ik was juist bezig met de voorlaatste patiënt. Aan de deur stonden vijf mensen: drie mannen en twee vrouwen en een peuter in de armen van één van de twee vrouwen. Het waren duidelijk geen mensen van hier, aan hun teint en kledij te zien.
 “Bébé malade”, zei één van de mannen.
 Ik legde uit dat de raadpleging eigenlijk gedaan was en verwees naar ons uithangbord met de uren van de raadpleging. Zo verging het elke patiënt die na de uren nog aanbelde.
“Comprend pas”, zei hij.
 Ondanks het angstige gevoel dat mij overviel bij het zicht van het grote aantal mensen die de kleine patiënt begeleidde, besloot ik het groepje binnen te laten. Het was koud en donker buiten, ze begrepen niet wat ik hen wou uitleggen en waren het hier duidelijk niet gewoon.

In de wachtzaal roffelde de laatste dame ongemakkelijk op haar stoel. Ik ronde de consultatie af mevrouw B. en liet mevrouw C. binnen. Normaal gezien had mijn avond erop gezeten maar nu wachtte mij nog een moeilijke klus. Mevrouw C. maakte me nog wat ongerust ook. Vijf volwassenen voor één zieke kleine, dat was hier echt niet de gewoonte.
“Let toch goed op hé dokter. Je bent toch niet alleen in huis? Dat zijn zo vreemde mensen!”
Dat bemoedigde me echt wel niet. Toen ze de deur uitstapte, verwittigde ik toch even mijn echtgenoot die boven aan de computer aan het werk was en vroeg hem een oogje en een “oortje” in het zeil te houden. Maar ik wist zelf wel uit ervaring, tijdens stages in ziekenhuizen, dat het dikwijls voorkwam dat in zuiderse landen een hele familie een zieke begeleidde naar de dokter of de spoeddienst. Het is gewoon een kwestie van steun en solidariteit.

Ik stapte vastberaden naar de wachtzaal. Alle vijf maakten ze aanstalten om met mij naar het kabinet te komen. Dat kon ik gelukkig wat beperken.
”Enkel de mama met de baby, alsjeblief.”
Gerommel! Iemand zei dat de mama geen Nederlands of geen Frans verstond en dat dus een vertaler moest meekomen. En de papa zou en moest er ook bij zijn!
Uiteindelijk zat ik met twee mannen, een vrouw en de zieke kleine in mijn kabinet: de papa, de mama en de “tolk”. Op dit late uur was Babel niet beschikbaar! De andere twee mensen bleven een tijdje in de wachtzaal zitten en hoorde ik dan stilletjes de voordeur uit glippen. Intussen had ik met veel over en weer gepraat (wat Frans en wat Engels) en met veel gebaren min of meer het kindje kunnen beoordelen en onderzoeken.
 
Het was duidelijk dat dit kindje niet zwaar ziek was en dat ze gerust de volgende dag tijdens de normale openingsuren hadden kunnen komen, wat de raadpleging veel gemakkelijker had gemaakt. Maar ik bedacht dat als ik hen niet had bediend die avond, ik onmiddellijk, weliswaar onterecht, als raciste zou aanzien zijn. Nu waren de mensen mij dankbaar en was ik blij dat deze “pseudo-bedreigende situatie” enkel maar wat van mijn tijd had gekost. 

Dit was de toekomst. Andere culturen en gewoonten leren kennen en leren inschatten. En gelukkig was er Babel.

zondag 12 februari 2017

Stage lopen op chirurgie: een straffe leerschool!

Vooraleer ik mijn huisartsenpraktijk kon beginnen, moest ik een heleboel stages doorlopen. Eén stage zal ik niet gauw vergeten. In groen kostuum, met wit papieren hoofddeksel en masker: griezelig en grappig ...soms...was ik een "groentje", een stagiaire op chirurgie.

Mijn eerste stagedag op chirurgie zat erop en het beloofde boeiend te worden! Het was 21 uur. De oude lift bracht mij naar de derde verdieping van het ziekenhuis. Na een ouderwets "kling" geluid, draaide ik het roestige, ijzeren hek open en liep naar rechts zoals de verpleegster mij had uitgelegd. Het kamertje voor de inslapende stagiairs bevond zich helemaal op het einde van de gang. Deze verdieping was namelijk niet meer in gebruik. De nonnetjes die vroeger het hospitaal runden sliepen er destijds. Ik liep een beetje op de tast door de smalle duistere gang. Enkele kleine waaklichtjes tegen de grond lieten een zwak schijnsel achter op de muren. Aan beide zijden waren een vijftal deuren die je moest passeren eer je aan je logeerplek kwam. Binnen stonden twee ijzeren bedden met tussenin een kleine lavabo. Uit de kraan kwam alleen ijskoud water. In de hoek zag ik een ijzeren kast, waarvan de deuren pijnlijk krasten als je ze opendeed. Er lag dan ook niets in. Een viersterrenhotel had ik natuurlijk niet verwacht, maar zo’n akelige, eenzame plek, Brr!

Gezien ik niet de dochter was van één of andere professor, en ook geen mensen kende met een lange arm die voor mij een woordje konden voorspreken, was ik natuurlijk in een klein, tweederangs ziekenhuis geparkeerd en niet in het meest gegeerde centrum van de provincie. Toch werd deze stage een unieke kans om ervaring op te doen. Hier, op de dienst heelkunde en op de spoed, ging het niet om "van buiten blokken" maar om echte, praktische handvaardigheden te
verwerven: bloed prikken, intramusculaire inspuitingen geven, wondes hechten, diepe splinters verwijderen, ingegroeide nagels behandelen... allerlei kleine ingrepen die je als huisarts courant moet doen en liefst wat handigheid in hebt.

Een groot voordeel voor mij was mijn tweetaligheid. Gezien mijn collega stagiair bijna geen Nederlands kende, en het aantal Vlaamstalige patiënten toch wel aanzienlijk was in dit ziekenhuis, kwam ik noodgedwongen meer aan de bak. Anderzijds was Frans de voertaal en ik moest het maar verstaan.  

De hoofdverpleegster had alle touwtjes in handen. Zelfs de beide chirurgen schikten zich naar haar orders. Zij bepaalde de volgorde van de operaties, ze bereidde de operatiezaal voor, ze was de instrumentiste aan de operatietafel, ze regelde de opnames en de vertrekken van de patiënten. Deze "commandant majoor" leerde me enorm veel: over steriel werken, over operatie instrumenten, over "hoe een operatie assisteren"... "Vous pouvez fermer" beval ze na de appendicectomie. De patiënt sliep toch en onder het toekijkende oog van de "infirmière chef" mocht ik de operatiewonde sluiten. Zo gebeurde het meer en meer. Na een tijdje verliet zij samen met de chirurg zelfs de tafel en kon ik de operatie afwerken. Zalig gevoel!

Op de consultaties mocht ik de intramusculaire inspuitingen geven. Bijvoorbeeld vitamine B 12 bij een maagpatiënt. Mijn eerste spuit vergeet ik nooit. Toen gebruikte men nog maar pas wegwerpspuiten en de kwaliteit liet soms te wensen over. Het gebruik ervan vroeg enige ervaring want de stamper schoof zeer stroef doorheen de plastic spuit. Dus: om de overtollige lucht uit de spuit te duwen moest je zéér gedoseerd drukken. Het zou me maar één keer overkomen, maar ja:
daar vlogen de vitamines hoog omhoog en dropen langsheen de muur van het kabinet naar beneden! Ik had veel te hard geduwd. Gelukkig was de patiënt nog heftig in gesprek met mijn stagemeester over de komende operatie en kon ik het ongelukje ongemerkt wegwerken.

Op zaterdag ging om zes uur de wekker. Vandaag werkte het labo op halve kracht. Dit betekende dat elke dienst zelf zijn bloedafnames moest verrichten: een unieke kans voor de stagiaire. Ik werd op pad gestuurd met een dienblad vol buisjes in verschillende kleuren en naalden in alle maten. Daarbij een aantal aanvraagformulieren. " Chambre 10, 17 et 22" luidde de opdracht. De eerste keer liep ik met lood in de schoenen en een rammelend dienblad, door de half slapende gang van de verdieping. Zelfverzekerdheid uitstralen en doen alsof het je honderd en éénste bloedname was. Dat zou het beste zijn. Voor mezelf en de patiënt. En het lukte. Halleluja! De volgende afnames gingen vlotter en vlotter zodat ik later met gemak "une prise de sang difficile au numéro 20" onder handen durfde te nemen.

En zo verwierf ik langzamerhand een aantal technieken die me later zeer goed van pas kwamen. Met dank aan de stagemeesters en ook aan de verpleegster "chef majoor!"

zondag 15 januari 2017

Een memorable wacht/nachtdienst


Overdag was het merkwaardig rustig. Iedereen was koopjes gaan doen, denk ik, en de griepperiode was eigenlijk al een tijdje fel afgezwakt. Misschien deze keer een lichte wachtdienst? Niets was minder waar …


Om 20.30 uur brak de hel los. De ene oproep na de andere. Een paar mensen waren bereidwillig om zelf te komen maar om 21.30 uur bleven er nog twee visites over, gelukkig toevallig in dezelfde straat. Ik vertrok, gewapend met mijn GSM én de wacht-GSM en zei aan mijn man dat hij gerust kon gaan slapen als het te laat werd.
 
Ik had nog maar net mijn eerste bezoek afgelegd, een vrouw met hevige rugpijn die ik een pijnstillende spuit had toegediend, of daar rinkelde de wacht-GSM met de urgente vraag onmiddellijk naar de Uithoekstraat 48 te komen voor iemand met ”pijn in de borst”. Een terechte oproep maar aan de hele andere kant van het wachtgebied!

Ik was op vijf stappen van De heer Evert die nog op mijn lijstje stond, maar hij zou moeten wachten want deze oproep ging voor. Dus de auto in en snel naar de Uithoekstraat! Het was intussen pikdonker en deze straat had haar naam niet gestolen want veel verlichting was er niet. De huisnummers waren van uit de auto niet te lezen, temeer dat veel woningen achterin waren gebouwd. Nummer 44 was hier en nu was ik reeds bij nummer 52. Dus even rechtsomkeer en met wat gissen, vermoedde ik dat nummer 48 het huis was vol graffiti… Inderdaad, toen ik de oprit opreed ging de automatische verlichting aan. Was ik bij een sekte beland of een of andere hippe jeugdgroep?

Een slonzige, in zwart geklede man met haar tot laag in zijn rug, kwam haastig naar buiten. Even was ik niet op mijn gemak. Maar toen ik de gezellige kamer betrad en een kerstboom zag staan, ontspande ik. Een vijftiger zat in de zetel en vertelde zijn klachten. Echte angor! Mogelijks een infarct. Snel bestelde ik de ziekenwagen met reanimatie erbij en probeerde hem de ernst van zijn probleem uit te leggen en “ dat het zeer belangrijk was snel te reageren”.

Terwijl ik op de Mug wachtte, kreeg ik werk bij. “Twee kinderen met hoge koorts en felle diarree, of ik kon komen?” “Nee het kon niet wachten tot morgenvroeg, want de kleinste was al twee dagen ziek en nu hadden ze schrik voor uitdroging!” Ik verduidelijkte dat ik nog iemand eerst moest zien en dan langs zou komen.

Intussen was het elf uur geworden toen ik bij Meneer Evert arriveerde. Hij liet me grommend binnen. Hij had zich vanmorgen bezeerd aan zijn scheenbeen tijdens het sneeuwruimen op de stoep. Hij had er toen geen tijd voor genomen om de wonde te ontsmetten en nu begon ze er hoe langer hoe lelijker uit te zien. Aan zijn onderbeen was een lap huid helemaal weggeschoven en errond zag het helemaal blauw. Middenin plakte wat droge vuiligheid. Even vloekte ik inwendig: een vieze wonde op een slecht doorbloede plaats. De huid dreigde af te sterven. Dit had veel eerder verzorgd moeten worden .Waarom was ie toch niet onmiddellijk deze ochtend naar mijn kabinet gekomen? Nu stond ik hier midden in de nacht in een rommelige keuken een wonde te ontsmetten. Geen plaats om iets proper neer te leggen, laat staan steriel tewerk te gaan. Men moest mij hier bezig zien. Ik raadde hem aan de volgende dag naar zijn huisarts terug te gaan om tenminste de eerste keer het verband te vervangen en zijn inenting tegen tetanos in orde te brengen.

Vandaar reed ik naar de” diarree-kinderen”. Waarschijnlijk was ik al herhaaldelijk het huis voorbijgereden, maar die mensen hadden besloten dat ik waarschijnlijk niet meer zou opdagen en dus hun verlichting aan de voordeur uitgedaan! Met mijn persoonlijke GSM belde ik hen: “Kunt u me zeggen waar jullie huis zich juist bevindt? Ik rijd over en weer in de straat en vind het niet!" Ik hoorde een verbaasde slaperige stem zeggen dat ik het kleine wegeltje tussen het café De vette os en de nummer 10 moest oprijden en daar was het! Met nieuwe moed reed ik naar de gegeven plek en effectief daar stond nog een woning! De kinderen waren al in slaap gevallen en werden amper wakker tijdens mijn onderzoek. Dit wees trouwens op niets ernstigs! Maar kijk “ongeruste mama's moeten begrip krijgen” zei mijn moeder steeds. “Jij bent dokter, maar als je als mama met een zieke kleine zit, ben je snel bang!”

Vannacht hield het niet op: Nog een zieke met een hypertensie-aanval en iemand met hyperventilatie: twee tijdrovende visites voor ik mijn bed zou zien. Als ik uiteindelijk rond drie uur in de morgen thuis arriveerde, stond mijn man me ongerust op te wachten. Hij was om twee uur wakker geworden en had mij niet in bed aangetroffen. Nochtans had ik volgens de verwachting al lang terug moeten zijn! Maar hij had geen weet van de tussentijdse oproepen. Hij had me op mijn GSM gebeld maar die was ik tijdens mijn bezoek aan de kindjes in de wagen vergeten! Dit had hem echt alert gemaakt “Er was me toch niets overkomen?”

Gelukkig niet, maar volledig uitgesloten was het in deze tijd niet meer. Meerdere apothekers waren al overvallen in ons gebied. Ze hadden intussen hun winkel omgebouwd tot een versterkt kasteel, met camera's en inkom bellen. En wij huisartsen zetten in de week onze voordeur gastvrij open, reden rond in de wacht zonder enige bescherming, naar alle mogelijke locaties en bij volledig onbekende mensen…

Het was de eerste keer in mijn loopbaan dat ik er mij echt van bewust werd dat ik, als vrouw zeker, mogelijks toch gevaar liep. Ik was blij niet in de volle stad te wonen en te werken, waar het gevoel van onveiligheid al een tijdje tussen de artsen leefde.

 

 

zaterdag 17 december 2016

De tijden zijn veranderd, griep niet!



Een weekend, midden december...

Het was rustig in huis. De kinderen hadden beslist in Leuven op kot te blijven studeren. Ze wisten dat we van wacht waren. Er viel dus weinig te beleven en al dat bellen aan de voordeur en het voortdurend gerinkel van telefoons was alleen maar storend bij het blokken. Wat een gelukkige beslissing ...


Sinds een week was de statistische drempel om van griepepidemie te spreken overschreden en dat zouden we geweten hebben. Het wachtweekend was al lang vastgelegd en we zaten dus midden in het hoogtepunt van de ellende: een memorabele tweedaagse, niet wat betreft de pathologie maar wel in aantal oproepen: verspreid in de tijd en vanuit een groot gebied.

Zaterdagavond liet ik me opgelucht in de zetel vallen. Het was 23 uur. Deze dag hadden we toch al  gehaald: 48 aanvragen voor huisbezoeken, bijna allemaal griep. Velen voelden zich te ziek om zich te verplaatsen of waren met de hele familie tegelijk geveld door het virus. We reden zigzag door de streek. Gelukkig waren er  dappere en goedwillige mensen die naar het cabinet wilden komen . Zo lukte het ons iedereen diezelfde dag nog te onderzoeken.

Nog één dag te gaan. En ja, op zondagavond zaten we aan 99 oproepen. Moe, maar gelukkig dat we het gemanaged hadden, gingen we de nacht van zondag op maandag in. Ongelofelijk maar waar: om 06.30 uur kreeg ik een telefoontje van een eigen patiënte, voor een acute buikpijn die ik alleszins nog voor 08uur( het begin van de normale werk week) moest bekijken. Het was trouwens een appendicitis. Maar was het toeval? De honderdste patiënt! (Ik wens het geen andere wachtdokter toe).

Als ik er goed over nadacht, was het hele weekend vol banale ziekteverschijnselen. Saai in feite. Toch moest je bedacht blijven op hier of daar een verraderlijke onderliggende ziekte. En de zwakke personen met een chronische ziekte moest je extra in het oog houden.
 
En je deed steeds opnieuw dezelfde uitleg:
  • "Neen, mevrouw, antibiotica gaan niet helpen. Je kan echt wel een aantal dagen hoge koorts hebben en je heel ziek voelen, griep is niet te onderschatten."
  • " Ja maar ......"
  • " Het is normaal dat je je heel flauw voelt , we zien meer syncopes in de griepperiode"
  •  "Ja maar ....." 
  • "Ja, ik begrijp het, in deze tijd is de werkdruk groot en heeft men geen tijd meer om ziek te zijn, maar geloof me, het is beter te luisteren naar je lichaam en je eigen immuunsysteem het gevecht met het virus te laten aangaan. Op termijn word je er sterker van."  enz.
Ik hoorde mezelf altijd hetzelfde herhalen en ik droomde weg naar mijn oude stagemeester , die nog maar naar de patiënt moest kijken en met een autoritair woordje zeggen :" Ik zie het al, je hebt griep. Neem aspirine en kruip in je bed. Als je binnen een week niet beter bent, kom je terug."

Niemand twijfelde aan zijn woorden. Het was onvoorwaardelijk juist. Hij had soms nauwelijks geausculteerd, soms nog door de kleren door, en hij verkondigde zelfverzekerd zijn onfeilbaar besluit. Zo loodste zijn ervaring en het blinde ontzag van een ongeïnformeerd publiek hem gemakkelijk, zonder teveel tijdsverlies door een drukke dag .

Tijden zijn veranderd. Mensen mondiger en dokters meer aanspreekbaar: in de meeste gevallen is dit een positie evolutie. Maar met griep ben je als moderne mens nog even ziek als vroeger.