maandag 25 januari 2016

Als iemand zelf uit het leven stapt

Telkens we terugkwamen van vakantie was er thuis wel iets verrassend gebeurd. Leuke dingen, maar dikwijls ook minder leuke. Zo gebeurde het dat we, na een vakantie van twee weken, bij thuiskomst het doodsbericht vonden van een van onze goede vrienden. Ik belde meteen naar zijn echtgenote en vernam dat hij zelfmoord had gepleegd...


Gruwelijk gewoon. En dat wij juist op vakantie waren! Zo jammer dat we haar niet meteen troost hadden kunnen bieden en begeleiden. Maar een typisch voorbeeld van een geplande en goed berekende zelfmoord die moest slagen. De voor de hand liggende hulp was afwezig. Niet dat wij hem van de dood hadden kunnen redden of zelfs weerhouden. Maar ik had nog al gemerkt dat gelukte zelfdodingen dikwijls in het weekend gebeurden of op momenten waar de gebruikelijke hulp niet beschikbaar was.

Meer dan mij lief is, heb ik zelfmoord geconstateerd in mijn praktijk. Het is een ramp en een trauma voor de familie omdat het hen met zoveel schuldgevoelens achterlaat.

Eens was er een oude man die zich opgehangen had op de zolder. Het was een beetje zijn werkatelier. Het was zijn gewoonte er een paar uur van de dag door te brengen. Maar hij was niet komen opdagen bij etenstijd en zijn zieke vrouw had naar hun dochter gebeld omdat ze ongerust was. Zelf kon ze geen trappen meer doen. De dochter vond hem hangend naast zijn werktafel met het nektouw rond een dakbalk. Het was geen fraai gezicht.

Hoewel ik noodgedwongen de politie erbij moest halen, gezien dit geen gewoon overlijden was, vroeg de familie de ware oorzaak van zijn dood voor zijn echtgenote verborgen te houden. Ik vond dit helemaal geen goed idee maar zij stonden erop dat het woord ‘zelfmoord’ absoluut moest vermeden worden. ‘Dat bericht zou ze niet overleven.’

Tegen mijn zin heb ik me in alle kronkels gewrongen om Jeanne enerzijds niet te beliegen en anderzijds niet de volledige toedracht te vertellen over ‘de plotse dood’ van haar man. Het deed me denken aan de tijd dat dokters het woord ‘kanker’ nooit in de mond namen voor de patiënt. Terwijl ik altijd een eerlijk, aartsmoeilijk gesprek verkoos boven een (halve) leugen.

maandag 18 januari 2016

Klare taal

“Zouden jullie willen deelnemen aan de peilpraktijken?” Op een zekere dag werd ons die vraag gesteld door het ministerie van volksgezondheid. Een interessante opdracht, zeker, en ook één die ons helemaal terug onderdompelde in het medische jargon. Een taaltje dat we niet meer alle dagen spraken!

De afdeling epidemiologie heeft permanent een aantal artsenpraktijken nodig die bepaalde aandoeningen registreren. Het ene jaar gaat het bijvoorbeeld over griep, mazelen en windpokken - het volgende jaar over drie andere ziektebeelden. Van de deelnemende artsen wordt gevraagd een formulier in te vullen met het aantal gevallen per week dat je van die aandoeningen gezien hebt. Daarbij moet je ook een aantal gegevens noteren over leeftijd, geslacht, ernst, enzovoort - alles anoniem uiteraard. Zo kunnen statistieken opgemaakt worden over de verspreiding van infectieziekten in het land en doorheen de tijd.

Het was een interessant aanbod, en we zegden meteen en graag op toe. Het project zorgde weliswaar voor extra (en onbetaald) administratief werk, maar ik voelde me plots een “wetenschappelijk medewerker”. Ik was niet alleen voor de patiënt in het kabinet nuttig maar kon ik ook iets bijdragen aan de volksgezondheid in het algemeen. Het gaf een extra dimensie aan ons beroep en ik voelde me zelfs een beetje terug aan de unief!

Na meer dan 10 jaar huisartsgeneeskunde heb je zowat alle kwalen al eens vertaald vanuit de Latijnse wetenschappelijke term naar de “volkse”, verstaanbare taal. Wanneer mensen over de vloer komen met “pijn aan de maag” spreken we niet over "gastro-intestinale dysfunctie" of “ Ulcera", maar van buikgriep of maagontsteking. Je moet het niet hebben over “cryptorchidie” maar over teelballetjes die niet goed ingedaald zijn. Het heeft geen zin te vragen: "heb je pijn in de rechterfossa ileaca of rechter hypochonder?” maar beter: “rechts in de onderbuik of ter hoogte van de lever?” En zo komt het dat de termen waar je zo hard op hebt gestudeerd, in de catacomben van je geheugen worden gestockeerd en nog maar weinig gebruikt. Wel eens in een brief naar één of andere specialist, maar niet in het dagelijkse gesprek met de patiënten, die het appreciëren dat je geen “Chinees “spreekt.

Het was zelfs zo, merkte ik, dat ik vanzelf een beetje dezelfde taal aannam als die van de patiënt - of tenminste probeerde dezelfde omgangsvormen te hanteren. Ik sprak bijvoorbeeld automatisch met meer dialectklanken bij sommige patiënten, en constateerde dat dit me dichterbij de mensen bracht en ze me sneller aanvaardden. Sommige autochtone oudere inwoners vonden het maar niks, dat AN. Anderen apprecieerden juist een mooi taalgebruik. Het was een geluk, misschien voor een stukje dankzij empathie, dat ik op dat gebied een kameleon kon zijn. Mijn moedertaal was Nederlands, maar mijn roots langs moederszijde lagen in Antwerpen en langs vaderszijde in Gent, en ik bracht tijdens mijn jeugd maandenlang door in West-Vlaanderen. Mijn taalgebruik was een mix geworden, waarin velen zich wel terugvonden. Daarbij kwam dat waar we werkten ook een goed mondje Frans moest worden gesproken. De populatie Frans-sprekenden in de regio nam zienderogen toe.

Nu, ik ben ervan overtuigd dat het uiterst noodzakelijk is dat een dokter de taal spreekt van zijn/haar patiënt. Waar het gaat over de gezondheid van de patiënt, is geen misverstand te dulden!

zaterdag 9 januari 2016

Diagnose: kanker. Prognose: ...

Vroeger hadden we een heel andere relatie, mijn ex-leerkracht en ik. Zij deelde de punten uit en straalde gezag uit, ik keek naar haar op. Nu was ik degene die zij raadpleegde, als patiënte. In het begin voelde het zeer vreemd. Maar langzaamaan evolueerden onze contacten naar ontmoetingen tussen gelijken. En groeide er een vriendschap. Het was voor mij dan ook een shock toen ik ontdekte dat ze erg ziek was.


Ze kwam op regelmatige basis op controle voor haar bloeddruk. Tijdens een van deze consultaties vroeg ze me plots, bijna langs haar neus weg, net voor het buitengaan: ‘Heb je nog tijd om eens even naar mijn keel te kijken? Ik heb eigenlijk al weken last en heb al allerlei dingen geprobeerd: zuigtabletten, keelspray, af en toe een Dafalgan. Waarschijnlijk is het niets, maar nu ik hier toch ben …’

Ik nam mijn otoscoop en een tongspatel. Wat ik toen zag, vergeet ik nooit meer. Een wit, bloemkoolachtig gezwel overgroeide haar rechteramandelboog volledig. Ik kon bijna niet geloven dat ze dit zelf nog niet vastgesteld had in de spiegel. De ellendige lijdensweg van meerdere therapieën, chemo, bestralingen maar ook de zeer ernstige prognose spookte door mijn hoofd. En zij was blijkbaar nietsvermoedend…

Misschien merkte ze aan mijn spontane reactie dat er wel degelijk iets mis was, want ze ging zitten en vroeg: ‘En?’
Een blik, een frons op mijn gelaat misschien. Ze keek meteen ongerust.
‘Ik denk niet dat het om een gewone keelontsteking gaat’, zei ik. ‘Daarom ook dat je zo weinig resultaat had met je lokale middeltjes. Ik denk dat ik je zo snel mogelijk moet doorsturen naar een NKO.’
‘Is het ernstig?’
De moed zakte me in de schoenen en mijn maag snoerde toe. Het zag er echt niet goed uit. Een aartsmoeilijke boodschap om over te brengen. We hadden dit wel geleerd op de schoolbanken, maar het bleek toch elke keer opnieuw een uitdaging. En zeker nu … Uit ervaring wist ik dat liegen geen optie was. Voorzichtige, eerlijke informatie geven wel.

‘Ik maak zo snel mogelijk voor jou een afspraak bij de specialist. Als ik zelf bel, zal het sneller kunnen en kan ik hem al wat op de hoogte brengen van de situatie. Ik denk dat er een biopt moet genomen worden om tot een juiste diagnose te komen. Laat ons niet te ver vooruit denken maar wel meteen de juiste stappen zetten. Waar ik wel rekening mee houd, is dat je mogelijks een operatie moet krijgen of een bestraling. Een goed ziekenhuis kiezen, is dus nu al van belang.’
‘Dat klinkt niet goed, hé?’                                 
‘Ik zie een serieuze zwelling achteraan rechts in je keel. Dus dat moet zo snel mogelijk weg. Je weet hoe vervelend een gewone amandeloperatie al is voor een volwassene, dus ik vrees dat je geen leuke tijd tegemoet gaat.’
‘Is het kanker?’
‘Dat zal het biopt ons definitief kunnen vertellen, maar je moet er wel rekening mee houden dat die kans bestaat.’

Ik kon niet anders. Ik moest haar voorbereiden.
Hiermee werd deze consultatie afgesloten.
Het vervolg wil ik jullie besparen.

maandag 4 januari 2016

Als ons kleinste orgaan het laat afweten

Toen ik haar leerde kennen was Stefanies schildklierfunctie al jaren onvoldoende en nam ze schildklierhormoon in. Door vroegtijdige menopauze slikte ze sinds haar veertigste ook vrouwelijke hormonen. En daarbovenop had ze recentelijk suikerziekte ontwikkeld, die zeer snel geëvolueerd was naar volledige insuline-afhankelijkheid. Maar er was nog meer aan de hand. Ze leed aan een zeer zeldzame aandoening, die zich maar langzaam volledig uitte, waardoor verschillende artsen de diagnose onvermijdelijk gemist hadden…

We leerden elkaar kennen op een dinsdagnamiddag. Haar zoon stond geagiteerd en overstuur aan onze voordeur: ‘Mijn moeder is al de hele voormiddag aan het braken en heeft vreselijke diarree. We gaven al de klassieke remedies zoals Motillium en Primperan maar niets helpt. Kunt u zo snel mogelijk komen?’ Ik repte me zo snel mogelijk in mijn wagen en volgde de man naar het huis van de patiënte. Zijn moeder, een zestiger, bleek zeer bleek en verzwakt. Ze hing over een emmer kleine gutsjes te braken en voelde zich duidelijk ellendig, hoewel ze geen koorts had. Ze had eerder al zo'n aanvallen gehad, maar minder ernstig!

Iets in mij zei dat dit geen gewone buikgriep was. Door haar diabetes was er meer kans op dehydratatie en ontregeling van insuline. Ik was overtuigd dat er meer achter zat, zeker nadat ze me vertelde dat ze continue verschrikkelijke dorst had. Een geval van diabetes insipidus? Addisson? Ik stuurde haar naar het ziekenhuis, waar ze opgevangen werd door de endocrinoloog die haar schildklier en suikerziekte behandelde.

Ze was al jaren in behandeling, maar deze keer werd heel haar pathologie opnieuw onder de loep genomen. En met resultaat. Er werd pan- hypopituarisme vastgesteld. In normale mensentaal: een volledig onwerkzame hypofyse. Een zeer ernstige aandoening. De hypofyse is misschien wel ons kleinste orgaan, het is een zeer belangrijke, centrale ‘regelaar’ van zo ongeveer heel ons hormonaal systeem en geeft zowat alle commando's voor hormoonproductie in ons lichaam.

Voor mijn patiënte was het een goede zaak dat haar symptomen een verklaring hadden gekregen, voor mij bleef ze jarenlang een grote zorg. De ene dag was ze ‘in tekort’, de andere ‘in overdrive’, van zowel insuline als cortisone als antidiuretisch hormoon. De neiging was groot om bij elke crisissituatie de veilige weg te kiezen en haar naar de spoedafdeling te sturen. Maar dat zou voor haar echt de hel geweest zijn. Ze kende de kliniek van binnen en van buiten, en was mij zeer dankbaar dat ik ondanks het risico dat zij en ik liepen, toch zoveel mogelijk haar aanvallen thuis onder controle trachtte te krijgen.

Jarenlang was ze een wekelijkse patiënte. Eerst kwam ze zelf tot bij mij op consultatie, later ging ik haar trouw aan huis bezoeken. En elke keer was er wel wat aan te passen of te veranderen aan de medicatie. En dikwijls had ze gewoon de behoefte om te praten. Over haar langdurig ziek zijn. Over de weerslag hiervan op haar gezin, haar man. Over wat er gaande was in het dorp, want zij kwam amper nog buiten. Op de duur kende ze ook mijn familie en volgde ze de evolutie van ons gezin gretig op. Het was een lichtpunt in haar week om eens gewoon te kunnen babbelen en zich betrokken te voelen in wat er bij ons en in de omgeving gebeurde.

maandag 28 december 2015

Lang, lang geleden, toen er nog geen gsm bestond

In de beginjaren van onze praktijk was de communicatie nog middeleeuws in vergelijking met vandaag. Van een gsm, laat staan een smartphone, was nog überhaupt geen sprake. Het was toen zelfs niet vanzelfsprekend dat mensen thuis een telefoon hadden. Ondenkbaar, niet? En dat had toch wel de nodige gevolgen voor onze ‘werking’!

Hoewel de uren van de raadpleging aan het voorraam uithingen, gebeurde het toen vaak dat iemand tussenin aan de voordeur belde. Patiënten die zelf nog geen telefoon in huis hadden bijvoorbeeld, moesten wel komen aanbellen om een huisbezoek aan te vragen. Jammer genoeg beschikten we nog niet over een parlofoon, met als gevolg dat we werkelijk naar beneden moesten (we hadden een huis met vier verdiepingen) om de deur eigenhandig open te maken. Het gebeurde dan ook regelmatig dat ik met mijn jongste baby, snel uit bad getild en half nat in een handdoek gedraaid, moest gaan opendoen, met mijn twee nieuwsgierige peuters in het kielzog.

Als er een dringende visite nodig was, kon ik mijn man jammer genoeg niet gewoon even bellen op zijn gsm. Ik keek naar de lijst van de patiënten naar wie hij vertrokken was, probeerde in te schatten waar en bij wie hij zich zou bevinden, en belde die patiënt op. Weinig verrassend: soms was het nodig verschillende mensen te contacteren vooraleer ik hem te pakken kreeg!

Na enkele jaren hadden we gelukkig een bieper. Zo konden we zelf een code bedenken om het verschil tussen ‘gewoon nog een visite’, ‘een dringend bezoek’ of ‘een zeer dringende visite’ aan mekaar door te spelen. 
  • Als het één keer biepte, lieten we alles vallen bij de patiënt waar we waren en belden meteen naar huis om te horen naar wie we ons moesten haasten. 
  • Bij twee tonen namen we de tijd om het bezoek ter plaatse af te werken.
  • En bij drie biepjes wisten we gewoon dat onze tournee niet gedaan was na het afwerken van ons lijstje, maar dat er sowieso nog een visite moest gebeuren. (Toch was het interessant even naar het thuisfront te bellen als we de kans zagen, omdat het risico bestond dat je op het einde van de ronde naar dezelfde straat terug kon rijden voor de bijkomende visite.)
Want kriskras door de streek rijden was uiteraard tijdverlies. En zelfs ik, met mijn ondermaats ontwikkeld oriëntatiegevoel, leerde stilletjes aan een logisch circuit uit te stippelen.

Ik moet zeggen dat na de komst van de GSM die stress een beetje wegviel. Het was een ongekende luxe mekaar op elk ogenblik van de dag te kunnen bereiken en spreken. Het had natuurlijk ook wel zijn nadelen … J. Zo gebeurde het regelmatig dat ik tijdens mijn wekelijkse boodschappentocht in het warenhuis een telefoontje kreeg van mijn man in consultatie dat er een dringend bezoek was aangevraagd. Er zat niets anders op dan mijn halfgevulde winkelkar achter te laten in een hoekje van de zaak - of onder de hoede van een verkoopster - en snel te vertrekken. Nadien keerde ik dan terug om mijn boodschappenlijstje af te werken. Als het echt een belangrijke interventie was geweest, kreeg ik er een goed gevoel van (zo van ‘Ok, dit heb ik dan toch goed kunnen managen!’). Als het een vals dringend geval was, dan was het uiteraard wel eventjes balen. Al bij al denk ik dat ik een plaatsje verdien in het Guinessbook of records voor ‘snel inkopen doen’!

donderdag 24 december 2015

A merry Christmas after all!

Het was niet altijd evident ons beroep te combineren met ons jonge gezin. We konden de kindjes echt niet zomaar even alleen laten. Er moest altijd één van ons beiden ofwel een oppas aanwezig zijn om hen op te vangen. Moeilijk, want ons werk was nu eenmaal volkomen onvoorspelbaar. Zelfs op kerstavond, zoals dat het geval was in 1984. 

Zeker die eerste jaren hadden we enorm veel urgente oproepen. De mensen belden echt voor alles naar de huisarts: huis- tuin en keukenaccidenten, voorvallen op straat, maar evengoed voor hartinfarcten, astma aanvallen of acute pijntoestanden. Nu is het de gewoonte om direct naar de spoeddienst te rijden of de 100 ziekenwagen te bellen. Toen waren wij de eerste hulp. Het was dus noodzakelijk om onmiddellijk te kunnen reageren (uit je bed te springen soms) en snel de wagen te nemen en te vertrekken. Geen tijd om eerst even een babysit op te trommelen. 

Die bewuste ochtend om 6u30 stonden onze kinderen (intussen 7, 5 en 3 lentes jong) al helemaal paraat om 's avonds Kerstmis te vieren. Wij moesten die dag wel nog werken tot 20 uur, wanneer de wachtdienst zou beginnen.

De hele dag stond onder spanning en onze ongeduldige spruiten waren al wel tien keer de pakjes onder de boom gaan betasten. Straks mochten ze open... Het werd 18 uur, 19 uur. De kleinste werd moe en stond al aan haar vingertjes te zuigen. “Wanneer beginnen we met het feest?” 

En dan, om 19:40 uur, tot overmaat van ramp, liepen er nog twee dringende oproepen binnen.

We verdeelden het werk. P, de oudste, mocht mee op huisbezoek met mijn man. Het ging over een knietrauma bij een ons goed bekende patiënt. I, onze tweede, liep moe door het huis te grollen: “Ik word nooit dokter, zulke dingen mogen niet gebeuren! Nu moeten we nog langer wachten om feest te vieren.” E, de jongste was intussen in slaap gevallen op de sofa.

Ik liet mijn patiënt in het kabinet, terwijl I. voor de televisie werd geplant (niet meteen mijn favoriete entertainment of babysit voor de kinderen, maar nu de enige oplossing gezien geen andere hulp in huis was op de vooravond van Kerstmis!).

Toen mijn man met onze zoon terugkeerde van het huisbezoek, kwam deze zegevierend  aanzwaaien met een pakje chocolaatjes, gekregen van de dankbare patiënt. De rest van de kroost schoot weer wakker door zijn enthousiaste verhaal. E. was bekomen van haar korte dutje en I. wou van de slag toch dokter worden!

En zo werd het toch nog een leuk familiefeest…

Een hele mooie Kerst gewenst!!

zaterdag 19 december 2015

Moeder natuur versus contraceptie: 3-0


Eén ding heb ik zeker geleerd tijdens onze praktijkjaren: de geneeskunde kan véél, maar moeder natuur is sterk. 

Mevrouw W was 43 en nam al jaren trouw de pil. Nu was ze toch wat ongerust want ze had haar maandstonden de maand tevoren niet gekregen in de pil-vrije week. Daar had ze zich niet meteen druk over gemaakt, maar nu kwamen de bloedingen weer niet? Was ze soms al in de menopauze? Ik vroeg of ze toch geen pil was vergeten en of ze niet ziek was geweest? Of ze geen andere medicatie had ingenomen? Na lang nadenken vertelde ze dat ze op tandartsbezoek was geweest en daar een kuur antibiotica had gekregen. Oh oh! De belletjes begonnen al te rinkelen in mijn hoofd. ‘Heeft u tijdens de kuur geen bijkomende voorzorgsmaatregelen getroffen?’ Neen, daar had niemand het over gehad. Ze bleek zwanger van een vierde kindje. Dat was even slikken, want dit had ze duidelijk niet gepland.

Mevrouw F had een heel gerust gevoel nu ze een spiraaltje had zitten. De gynaecoloog had haar bevestigd dat ze de komende vijf jaar geen verdere bescherming nodig had om niet zwanger te worden. Handig! Maar jammer genoeg niet voor de volle 100 procent veilig. Op een dag kwam ze op raadpleging met een beetje bloedverlies, misselijkheid en toch wat gewichtstoename. Wat denkt u? 

En dan: het toppunt. Een dame van 49 jaar. Al enkele jaren na sterilisatie beleefde ze de schrik van haar leven toen ze na onduidelijk buikklachten de diagnose van zwangerschap kreeg. 

De conclusie: helemaal veilig ben je dus eigenlijk nooit. De natuur is ijzersterk!