vrijdag 7 juni 2019

DE GULDEN MIDDENWEG

Over vermageren en zo...

Waarom worden we steeds van het ene uiterste naar het andere gedreven? In alles? 

Het opvoeden van kinderen zoals vroeger, met overmatig strenge regels en straffen is volledig omgeslagen naar de nieuwe vrije opvoeding. Mijn opa vertelde dat hij “van de riem” kreeg of soms op zijn knieën moest zitten met een stapel boeken op zijn hoofd of in een donkere kelder werd geduwd gedurende een uur. Vreselijk! Nu moeten we met onze kleuters overleggen hoe ze zich moeten gedragen. Alleen belonen, niet straffen.                                                                                    In de beleving van sexualiteit zijn we in de loop van de jaren van overdreven preutsheid en geheimdoenerij naar de vrije liefde in al zijn aspecten overgeheld. Onze grootmoeders en moeders wisten amper wat maandstonden waren, laat staan iets over leuke sexbeleving. Nu wordt zelfs promiscuïteit soms aanvaard als de normaliteit. Er ontstaan massa’s ethische problemen.                                                                                           Hetzelfde met kunst: waar vroeger de schilderkunst en de beeldhouwkunst een enorme vaardigheid en esthetisch gevoel vereiste, wordt nu de kakmachiene en de recyclage- kunstwerken de hemel in geprezen. Ik voel me soms in het sprookje beland over “de nieuwe kleren van de keizer”. Ik begrijp soms niets meer van kunst.

Maar ik wijk af van mijn medisch verhaal. Zo klonk het in de praktijk:

“Dokter, ik ben vreselijk verdikt, ik moet zeker 15 kg vermageren. Ik heb het berekend. Mijn BMI is veel te hoog. Misschien heb ik iets aan mijn schildklier? Het is niet normaal. En binnen twee maanden gaan we naar Spanje. Je weet, zoals elk jaar. En ik zou daar graag in mijn badpak willen lopen zonder complexen. Je moet mij iets voorschrijven. Of misschien eerst mijn bloed nemen?”   Het is niet makkelijk: gewicht verliezen. Ieders metabolisme is anders. En er zijn pathologische vormen van obesitas. En er zijn van die mensen die bergen ijs kunnen eten en een halve taart verorberen en daarna schaamteloos vertellen dat ze geen gram zijn bijgekomen. Dat is zo.              “Ik hoef nog maar naar mijn dessert te kijken en er is al een kilo bij.” hoor ik mijn patiënte nog zeggen.                                                                                                                                                    Ik bereidde me voor op een hopeloze monoloog die ik zo enthousiast mogelijk zou voeren.Want met pillen, bizarre diëten of extreem vasten komen we immers geen stap verder in ons plan om gezond te leven, nu en op lange termijn. De resultaten zijn op zijn best bekeken”tijdelijk” maar meestal zelfs “slecht”met een herval van gewichtstoename in het kwadraat.De meeste medicaties die ik op de markt heb weten verschijnen zijn met stille trom alweer weggehaald, verdwenen uit de apotheek, omwille van teveel neveneffecten of te schadelijk. De meeste extreme diëten die een tijdje het grote nieuws haalden zijn al lang terug op de achtergrond geraakt. Ik heb patiënten geweten die op nierdialyse zijn geraakt door ongecontroleerd gebruik van voeding vervangende poeders. Ze hebben er een dure prijs voor betaald. Letterlijk en figuurlijk. Want je kan je blauw betalen voor een poeder om te vermageren afkomstig van een illustere, duistere, dikwijls buitenlandse firma, die reclame maakt op TV of in tijdschriften en die je mirakels belooft. En toch kennen die producten telkens opnieuw succes en worden de afradende adviezen van professoren genegeerd. Niemand hoort ze graag. Iedereen wil drastische snelle oplossingen voor zijn of haar gewicht.                                                                    Ook nu dus begon ik de illusie van mijn patiënte de grond in te boren toen ik haar vertelde dat ik haar schildklier wel wou checken maar dat die er vermoedelijk niets mee te maken had. Dat haar gewichtstoename waarschijnlijk aan haar voedingsgewoonte lag. Dat het er op aankwam “gewoon” elke dag gevarieerd en gedoseerd te eten. Dat ze best wat meer beweging zou nemen enz...Ik gaf haar een lijst mee met concrete tips over calorieverbruik en inname. Ik raadde haar aan zelf eens te overlopen hoe haar voedingspatroon er uit zag en hoe ze zonder “ af te zien” langzaam haar dagelijkse eetgewoonte kon aanpassen aan de gezonde normen. Eventueel met behulp van een diëtiste.

Mijn betoog had het effect van een preek: “geen” dus. want “gewoon” en “ elke dag” is vermoeiend, langzaam en saai! Liever een “ tournée minerale” of een ascetische week zonder dessert... en dan er weer lekker tegen aan.


vrijdag 10 mei 2019

Wat de specialist zei was heilig

Het is weer razend actueel:

Eerste en tweede lijn, een eindeloze strijd, waarbij de huisarts zeer vaak het onderspit delft.

In mijn studentenjaren was de courante opinie dat de huisartsen diegenen waren die niet genoeg graden behaalden tijdens hun studies om te kunnen specialiseren, de minder goede studenten dus. De specialisten, dat waren de elite studenten, de primussen van het jaar of ...de zonen van de professor. Onterecht, maar dit speelde mee in de verwrongen relaties en de moeilijke samenwerking tussen beide artsenpopulaties. Sommige specialisten misbruikten hun positie.

Op een dag verwees ik iemand met een uitgebreide verwijsbrief naar de uroloog van een naburig hospitaal. De patiënt was een ver familielid. En wat zei de specialist hem:”Ik zal u maar eerst eens onderzoeken, want wat die kwakzalvers van huisartsen schrijven, moet ik eerst zien.” Hij gooide mijn brief in zijn vuilbak.
De patiënt kwam het mij spontaan vertellen. Hij was geshockeerd en ik verontwaardigd.
Gelukkig kwam er die zelfde week een telefoontje van een andere dienst urologie, van een academisch ziekenhuis. Tijdens dit gesprek wenste de Professor mij proficiat voor de snelle diagnose en zwierde nog met wat pluimen extra:”Wat een snelle en efficiënte aanpak dit wel was, voor zo'n zeldzame ernstige kwaal.” Dit was nu ook niet nodig, maar zijn woorden waren een riem onder het hart, te meer dat de patiënt en zijn familie het enorm apprecieerden. Ik kreeg plots meer achting, ik ging een bank vooruit, ik was ‘een goede’.

Het was een langzaam binnensluipend fenomeen: Wat een specialist zei was heilig en onvoorwaardelijk juist. Aan de huisarts kon je twijfelen. Die was al lang van zijn voetstuk gevallen. Maar als de specialist achter jou stond en dezelfde mening was toegedaan, stond je sterk als huisarts. Deze evolutie is in de jaren later nog toegenomen. Mensen geloofden zeer sterk in de specialist en de huisarts verloor terrein.

In het begin van de praktijk volgde ik zwangerschappen op tot de vrouwen in hun zevende maand waren en dan stuurde ik ze naar de gynaecoloog voor verdere follow-up en bevalling. Zelf bevallingen doen zag ik niet zitten: nog meer onverwachte en langdurige interventies, nachtelijk werk, en vooral: risico's! Nochtans kwam de vraag herhaaldelijk.
De vrouwen kwamen daarna ook terug met hun baby, voor de maandelijkse controles. Dit hadden we goed onderwezen gekregen: metingen doen, groei evalueren, reflexen nakijken, ausculteren en preventief bepaalde congenitale afwijkingen opsporen, vaccineren volgens officieel schema. Het was ons allemaal ingelepeld. We deden het zeer graag, mede omdat we als jonge dokters ook volop in de kleintjes zaten. De melkvoedingen en de papjes, de variaties in kaka-patronen, het waren dagelijkse gesprekken. Nu gaat elke zwangere onmiddellijk naar gynaecoloog en baby's horen quasi niet meer thuis in de huisartsen praktijk. 

Deze trend heeft in de jaren 2000/2010 nog een andere wending genomen: de zieke kinderen worden door hun ouders onmiddellijk naar de spoed in de ziekenhuizen gebracht en ook de volwassenen gaan meteen naar het ziekenhuis, de derde lijn! De huisarts wordt gekortwiekt. En voor een afspraak bij de specialist moet te lang gewacht worden.
Is deze evolutie mede het gevolg van het feit dat ook huisartsen in deze moderne jaren zoveel mogelijk de patiënten naar hun praktijk laten komen? Huisbezoeken afbouwen? “Als je jezelf dan toch moet verplaatsen, kan je beter direct naar een gespecialiseerd centrum rijden, niet?”

Ik voer graag een warm pleidooi voor de huisarts die de patiënt kent en het beste inzicht heeft over zijn volledige persoon. Wij huisartsen kunnen de filter zijn om de ‘ernstige’ van de ‘banale’ ziekten te onderscheiden. De erge pathologieën ‘tijdig’ naar de ‘goede’ en ‘juiste’ specialisten te sturen. En dan samen met de patiënt te overleggen welke combinaties van medicijnen nuttig, nodig, noodzakelijk zijn om binnen zijn levensverwachting een realistische levenskwaliteit te bieden.

Een goede samenwerking biedt een grote meerwaarde.

zaterdag 20 april 2019

Het cacao incident


Prettig Paasfeest! 


En gezien iedereen hierbij ook denkt aan chocolade kan ik er niet aan weerstaan u deze ludieke anekdote te vertellen. Eens iets anders dan medische ernst.

Onze collega uit het naburige dorp, die ons van in de beginne joviaal had ontvangen, was intussen een echte vriend geworden. We werkten vlot samen. Maar we deden ook geregeld uitstapjes met onze gezinnen en we kwamen dikwijls eens bij mekaar thuis, na de avondconsultatie in de week, voor een hapje en een drankje. Het werd dan soms wat laat en daarom spraken we meestal een vrijdagavond af. Zo konden we de zaterdagmorgen uitslapen en vonden we gemakkelijker een babysit.






Die bewuste zaterdagochtend verliep wel niet volgens plan!

Onze kinderen hadden op initiatief van de oudste, vijf en een half jaar op dat ogenblik, beslist ons te verrassen! Ze waren op kousenvoeten naar beneden geglipt, naar de keuken en zouden ons ontbijt klaarzetten. Onze zoon, zoals altijd zeer ondernemend, was op de kast gekropen om de confituur, de honing en de nesquik te nemen. De andere twee hadden staan kijken.
Jammer, maar zo voorspelbaar: de pot cacao was naar beneden gedonderd, open gevallen, en de hele keukenvloer lag onder een stoflaag van chocoladepoeder.
Het was kwart voor zeven.
Mijn oudste dochter kwam ons wekken aan bed, duidelijk bezorgd en gealarmeerd: 
”Er is iets ergs gebeurd!”

Ik veerde recht, voelde de vermoeidheid en de kater maar stormde naar beneden.
Wat ik zag toen ik in de keuken arriveerde had iets tragikomisch, hilarisch!
Ik stond daar doodmoe te kijken naar het resultaat van dit zo goed bedoelde plan. Moest ik nu boos worden of lachen?
Onze kleinste spruit zat op de grond in het midden van de keuken te glunderen en smakelijk haar vingertjes af te likken om daarna opnieuw strepen te trekken over de vloer die in een chocoladetapijt was omgetoverd. Verderop was onze oudste met de vaatdoek al verwoede pogingen aan het doen om het malheur weg te werken en intussen kon je het nescuikspoor van mijn andere dochter al volgen tot in de gang!!
Waar moest ik beginnen?

Gelukkig, bedacht ik, was het maar de pot cacao die gevallen was en niet ons zoontje. En de intentie was zo verschrikkelijk goed geweest.
Dus de spons erover, letterlijk en figuurlijk! En eerst voor mij een dafalgan, hmm!

woensdag 3 april 2019

Fictie en Non fictie. Literatuur en geneeskunde.


Elk begin is moeilijk.














In het begin van onze praktijk dacht ik dikwijls aan de boeken van Cronin. In ”De Citadel” vertelt de schrijver over een jonge arts die zich nieuw heeft gevestigd in een dorp. Hij moet de argwaan van de inwoners ten opzichte van een “groentje” zoals hij was, doen wegebben en langzaam het vertrouwen winnen. Liefst met een paar succesjes op therapeutisch gebied. Een tegenslag in het begin van zijn praktijk zou zijn acceptatie erg bemoeilijken en zijn reputatie zwaar schaden.

Hetzelfde overkwam ons een beetje.

De bedoeling was natuurlijk een eigen patiënteel op te bouwen. Onze befaamde prof Renard van medische ethiek had ons ingepeperd: “ Altijd collegiaal blijven”.Vrij vertaald:”Geen patiënten afpakken, integer en gewetensvol het medisch vak beoefenen”.
Maar wij moesten ons bewijzen en de omstandigheden maakten het ons niet gemakkelijk .We moesten oppassen of we werden snel het slaafje van de gevestigde dokters uit de buurt, “de grote eerbiedwaardige dokters van voordien”. 
Zo kon je een bepaalde arts vanaf zeven uur 's morgens al niet meer bereiken. Hij was waarschijnlijk een ochtendmens en alle huisbezoeken moesten aangevraagd worden voor dit uur, zo niet stuurde hij zijn vaste medewerker, of je die graag mocht of niet. Hierdoor gebeurde het vaak dat we op alle mogelijke en onmogelijke uren van de dag opgebeld werden door zijn patiënten om nog dezelfde dag een visite te doen in zijn plaats.
”Bij ons was er toch altijd één van de twee artsen aanwezig! En we waren jong, we zouden toch alles aannemen, we moesten het nog waar maken!?”
Na zo'n huisbezoek  kwamen we langs een omweg te weten dat de eigen arts onze interventie afkeurde, onze beslissingen in twijfel trok en aan de patiënten insinueerde dat indien hij beschikbaar was geweest hun probleem toch efficiënter zou zijn aangepakt!
Dat was echt niet fair. Door in te springen voor die collega, ging onze reputatie er aan. 
Dus hebben we dit niet lang volgehouden. We beantwoordden die oproepen enkel in geval van hoogdringendheid en we maanden de overige patiënten aan te wachten tot hun eigen arts terug beschikbaar was. We haalden hierdoor de boosheid van sommige mensen op de nek, maar we openden wel de weg voor eigen cliënteel op eerlijke wijze. Als mensen voor ons kozen, moest het in volle vertrouwen zijn.
Gelukkig ging niemand dood na onze tussenkomst in deze cruciale beginfase van onze loopbaan. Want zo’ n geruchten deden vliegensvlug de ronde in het hele dorp. Een vriendin huisarts vertelde mij dat zij in het begin van haar loopbaan een overlijden had meegemaakt waarover nadien onrechtmatig werd geroddeld dat ze waarschijnlijk een “te straffe” spuit had toegediend en zo de patiënt wat vlugger de dood had ingejaagd.
.
Ik las dat gelijkaardige situaties zich in ziekenhuizen ook soms afspeelden. In de wereld van de specialisten. Studenten die medestudenten vals beschuldigden van nalatigheden of foute beslissingen om zelf in een goed licht te staan bij de prof. Artsen die andere collega’s zwart maakten omwille van angst voor concurrentie. 
De romans van Robin Cook beschrijven het in geuren en kleuren.In zijn boek“Intern” bijvoorbeeld.


Het is zoals in elke beroepssector en van alle tijden. Iedereen vecht voor een plekje. Weliswaar niet altijd met eerlijke wapens.

maandag 4 maart 2019

WAAR MAKEN WE ONS TOCH DRUK OVER?

Ik moest het eens aan de bakkerin vertellen. 




















Deze ochtend had Xavier P. mij laten weten dat hij wou veranderen van dokter. “Of ik zijn dossier wou over maken naar die andere jonge collega?”
Sedert ons dossier volledig in de computer zat, was dit doodsimpel. Te meer dat de collega aan wie ik het moest doorgeven met hetzelfde medische programma werkte als ik. Dus, in een minimum van tijd, mits het indrukken van een paar toetsen, was het gebeurd.
Maar in mijn hoofd was het niet zo snel verwerkt. 
Waarom vroeg hij dat nu? Was hij dan niet meer tevreden? Had ik misschien iets over het hoofd gezien? Had ik niet genoeg geluisterd naar zijn klachten? Al die vragen bleven mijn gedachten plagen. 
Ik heb de juiste reden nooit geweten. Het was wel zo dat de collega een vriend was van de familie. En het was wel zo dat de laatste jaren al eens gepolst werd: “ Hoe lang ga je nog werken dokter? Uw kinderen zijn zeker ook al in de dertig? Je gaat ons toch op tijd zeggen als je zou denken aan stoppen ?” Beleefd maar gretig om mijn leeftijd te kennen en de nodige voorzorgen te nemen naar de toekomst toe.
Maar ik bleef ontgoocheld achter. Ik dacht dat ik een goede vertrouwensband had met die patiënt. En na zorgvuldig gewetensonderzoek pleitte ik nog steeds onschuldig.
Toen moest ik ongewild aan de bakkerin denken, bij wie ik vele jaren twee tot drie maal per week over de vloer kwam. Ik ging er nooit buiten zonder drie, vier broden voor de diepvries, wat gebakjes en een bestelling voor de zondagskoeken. De laatste maanden zag ik haar enkel nog op zondagochtend. Ik had een broodoven aangekocht omwille van tijdsbesparingen en caloriebeperking. Want het was er net allemaal zo lekker. Maar nu hoefde ik geen tijd meer te verliezen om te parkeren en aan te schuiven in de bakkerij. Ik kocht geen taartjes meer in de week. En er bestond geen risico om zonder brood te vallen als ik niet voor sluiting ter plaatse was geraakt. In mijn ogen niets dan voordelen, maar och arme de bakkerin! Misschien dacht zij ook al dat haar brood niet meer deugde. 
Beeldde ik me in dat ze me vragend had aangekeken vorig weekend?

De eerstvolgende keer dat ik in de bakkerij even alleen was met haar terwijl ze mijn heerlijke koffiekoeken inpakte, vertelde ik waarom ze me minder in de winkel zag en sprak ik vol lof over haar fantastische lekkernijen.

Beeldde ik me in dat ze opgelucht zuchtte?


zaterdag 2 februari 2019

Een dolle nacht ...een beslissende nacht ook

Het was een dolle nacht voor Jacob, voor mij en voor vele anderen.
Een beslissende nacht ook...

 Ik kende Jacob al van voor het overlijden van zijn vrouw. Van lang voor het koppel naar een tehuis moest verhuizen. Hilda was degene geweest die hun kleine gezin had rechtgehouden. Zij waren ongewild kinderloos gebleven maar toch tot een harmonisch koppel uitgegroeid ondanks deze tegenslag. Na een paar jaren in het bejaardenhuis was zij overleden en sedertdien voelde hij zich totaal verloren.



Zijn mentale toestand ging zienderogen achteruit. Hij werd achterdochtig en angstig. Hij was al een paar keer naar buiten gewandeld en teruggebracht door voorbijgangers die hem in een verwarde toestand op de stoep hadden opgepikt.
Bij een van mijn laatste bezoeken had hij me verteld dat zijn geldbeugel was gestolen. Bij nader inzien had hij hem verkeerdelijk weggelegd. 
De verpleging had er mij op gewezen dat hij storend gedrag begon te vertonen ten opzichte van medebewoners. 
Dit voorspelde niets goed en de diagnose van toenemende dementie was duidelijk. Maar in die
jaren was er nog geen mogelijkheid om naar een gesloten afdeling te verwijzen. Niet elk bejaardentehuis beschikte over die ruimte.
In overleg met de specialist kreeg hij een neurolepticum en een voorzichtig gedoseerd kalmerend middel. “Niet teveel”, gezien verdovende medicatie het valrisico zou doen toenemen. 
Maar dan gebeurde het: 
Om twee uur in de ochtend ging de telefoon:” Dokter, u moet dringend komen. Wij kunnen Jacob niet tot rust brengen..”. Ik herkende de stem van de hoofdverpleegster. Gewoonlijk kon zij veel aan en eer ze ‘s nachts een dokter optrommelde moest het ernstig zijn.
“Ik kom meteen.”
Ik wist niet goed wat ik kon verwachten maar bij aankomst op de parking van het tehuis besefte ik snel de omvang van de situatie. Er stond een brandweerwagen, een politiecombi en zelfs de rode jeep van de directrice!
Deze stond me aan de voordeur op te wachten: “Dokter, uw patiënt heeft hier op het verdiep het kastje van het brandalarm met zijn stok stuk geslagen en aan een grendel geprutst. De sirene is afgegaan en alle automatismen van beveiliging zijn in werking getreden: De beveiligingsdeuren hebben zich gesloten. Dakvensters geopend. Ik werd gebeld. De politie en de brandweer zijn verwittigd. Echt waar dokter: het is chaos. De meeste andere bewoners zijn gewekt en we hebben alle moeite om iedereen gerust te stellen en terug naar de kamer te krijgen. De hoofdverpleegster zit nu naast hem in de gang.” 
Ze rammelde het hele scenario in één adem uit en was “niet amused”.
Arme Jacob. Dit was er natuurlijk over. Dit zou hem nooit vergeven worden. 
Toen ik bij hem toekwam zag ik hem onmiddellijk ontspannen. Ik was voor hem het enige lang vertrouwde gezicht.
Ze wilden me vermoorden dokter. Ik sloeg op de vlucht en kon niet anders dan...” 
“ Kom Jacob, we gaan rustig naar je kamer. Het is nacht. Iedereen moet nu nog slapen. Wees niet bang, morgen laten we dat onderzoeken.” 
Ik had al lang geleerd dat tegenspreken of ontkennen geen optie was. Op deze manier slaagde ik er in hem te kalmeren en een spuitje te geven. Ik bleef nog wat bij hem om mij ervan te vergewissen dat dit zich op zijn minst deze nacht niet zou herhalen. 
De volgende morgen nam ik contact op met de neuroloog en spijtig genoeg is hij na een opname in het ziekenhuis naar een andere home overgeplaatst in een gesloten afdeling. Een nieuwe onbekende omgeving die hij misschien terug als bedreigend zou ervaren ondanks de goede zorgen.
Droevig! Hopelijk besefte hij het zelf niet meer ten volle.

zaterdag 5 januari 2019

VRAGEN STAAT VRIJ NIET?


Wat een bizarre vragen kreeg ik soms toch? En wat een uiteenlopende gesprekken voerde ik soms met de patiënt!

Jaren terug, tijdens een wachtdienst einde december: Een mannenstem vroeg aan de telefoon ”of ik hem iets kon voorschrijven “om overmorgen te kunnen”.’Wat’ te kunnen, liet ik wijselijk in het midden, en stuurde hem naar zijn huisarts de volgende morgen. Het was in de tijd vóór viagra!
Nog geen week verder. Je houdt het niet voor mogelijk:“Dokter hebt ge niets om seksuele driften te verminderen of ik word zot! Ik heb gelezen dat ze dat aan mensen geven in tehuizen”. De persoon aan de telefoon was mij onbekend.
“Ja, dat is waar. er bestaan zulke medicijnen maar die worden aan mensen gegeven die psychisch niet normaal zijn of mentaal gestoord”
Maar ik ben ook niet normaal ,hoor!” zei hij zelf. Ik liet de man naar de consultatie komen en verwees hem na de anamnese naar de psychiater, eigenlijk opgelucht dat ik hem verder niet moest onderzoeken want hij was maar te bereid om al de lichamelijke delen die van toepassing waren te demonstreren.
Later zag ik hem nog terug op controle. Dankbaar. Hij kreeg medicatie en psychologische begeleiding. “Hij was een andere mens.Vroeger had ik schrik van mezelf” bekende hij. 

Een ander merkwaardig verzoek kwam van een dame die een huisbezoek vroeg voor haar man, een dinsdag, rond 18 uur.
“Dokter kan u aub. komen. Mijn man heeft verschrikkelijke rugpijn. 
“Zou u misschien met hem tot op de raadpleging kunnen komen?” vroeg ik. De avondconsultatie was volop bezig.
“Ho, neen, dat gaat niet “ zei ze verontwaardigd:“ Hij is nog in de tuin aan het werken, en hij zou willen dat u binnen een half uurtje hier bent dan is hij klaar.”
Wat moet je daarmee? Vermits de dame blijkbaar niet eens besefte dat graven en werken in de tuin niet zo’n goed idee was bij rugpijn, slikte ik mijn verontwaardiging door en overhaalde  haar vriendelijk maar kordaat om met de echtgenoot zelf tot bij mij te komen.
En dan: Mevrouw A.was aan de beurt. Ik kende haar goed. Ze bleef in de deuropening van het kabinet staan:“Ik kom gewoon een briefje vragen voor mijn dochter, dokter.” 
Ik nodigde haar uit te gaan zitten. Een beetje aarzelend nam ze plaats. 
“ En wat voor briefje aub?”
“ Wel, een briefje voor de school, dat ze ziek is!”
“ Ho, en waar is uw dochter? Heb je haar niet meegebracht? 7Dan kon ik haar meteen onderzoeken.”
“ Nee, nee, dat is niet nodig, het is niet erg, wat hoofdpijn en zo...
“ Ja Mevrouw, maar ik mag toch zomaar geen ziektebriefje schrijven zonder de patiënt te zien.”
Ze schuifelde wat op haar stoel: 
“Hmm, hmm, om eerlijk te zijn: Ze is op vakantie met mijn zus. Voor een keer dat ze mee mocht! Maar ze moet wel in orde zijn voor de school, ziet u!”
Uiteraard kon ik op deze vraag niet ingaan. Zo’n briefje was compleet onwettig en niet deontologisch. Maar het was niet makkelijk om de vrouw naar huis te sturen zonder het gevraagde papier, zonder haar in het harnas te jagen en zonder haar en de hele familie voor goed als patiënten te verliezen. 
En toch moest het!