zondag 29 mei 2016

Van het ene huis naar het andere

Om een of andere reden was dinsdag mijn drukste dag. 's morgens huisbezoeken, in de namiddag afspraken (die waren intussen ingevoerd) en na 17 uur de avondraadpleging. Er was dus weinig ademruimte.


Voor vertrek thuis maakte ik een planning van de bezoeken. Dat was niet altijd een makkelijk karwei! Ik probeerde rekening te houden met het traject en de dringendheid maar ook met de verworven rechten of eerder gewoontes van de mensen. Sommige oude chronische patiënten waren het zo gewoon dat je hen halverwege de voormiddag een bezoekje bracht, dat een te grote afwijking in de planning hen in de war bracht en aanzette naar het thuisfront te bellen met de vraag: “Waar blijft de dokter? Is ze me vergeten??” Anderen vonden dat ze zo ernstig ziek waren dat ze zeker eerst bediend moesten worden. Als er dan toevallig die dag enkele nuchtere bloedafnames gepland waren, en die patiënten woonden aan de andere kant van het gebied, dan kon je al beginnen stressen. Daarbij was er gegarandeerd iemand die eigenlijk een afspraak geboekt had bij de kapper om 11 uur, en in de home zat iedereen al om 11.30 uur aan tafel (dus moest ik zien dat ik daar goed op voorhand mijn ronde kon doen!). Het was dus puzzelen om een aanvaardbare route uit te stippelen, op uur en tijd iedereen te bedienen en dan om 13 uur terug thuis te geraken, liefst zonder boetes en met gekoelde bloed- en urinestalen, die gelukkig door een bereidwillig en gedienstig labo bij ons thuis werden opgehaald.

Enfin, eenmaal in de wagen: muziekje aan en rijden! Van de ene deur naar de andere straat, van de zware zieke die terminaal was naar de psychosomatische hypochonder (die je eigenlijk liever een pets op zijn poep wilde geven). Van het oudje, voor wie ik het enige en welkome bezoek was die dag, naar de ongeruste mama van een eerste baby’tje dat niet goed dronk. Van de maandelijkse chronische patiënt, die nood had om over altijd hetzelfde wat te klagen, naar de depressieve triestige jongeling, van wie ik bang was dat hij zichzelf iets onherroepelijks zou aandoen. Voor iedereen een luisterend oor aanbieden, een bemoedigend woordje klaar hebben, een geschikt medicament voorschrijven. Dan was de patiënt tevreden, en ik ook. 

De ene dag lukte dat beter dan de andere. Ik ben zelf maar een mens. Maar hoewel ik steeds opnieuw mijn uiterste best deed, was niet iedereen altijd even gelukkig met mijn interventie. 

Voor de kleine Willem bijvoorbeeld deed ik gewoon maar mijn plicht; hij genas van een lelijke wonde op school, zonder litteken. Gelukkig maar. Ik kreeg dankwoorden in overvloed en erg veel respect - teveel, vond ik! Het was toch niet meer dan normaal dat ik die wonde grondig had gereinigd en met een fijn draadje zorgvuldig had gehecht? En toch, de dankbetuigingen en lof waren hartverwarmend!

Meneer Partoen daarentegen had ik tijdens de wachtdienst het leven gered. Ik trof hem aan met een diepe veneuse trombose en ademhalingsproblemen. Een mogelijk  longembool moest uitgesloten worden! Gelukkig stuurde ik hem tijdig naar het ziekenhuis waar mijn vermoeden bevestigd werd. Later zei hij me zelfs geen goeiedag op straat. Eigenlijk was hij wat boos dat ik hem naar de spoedafdeling had gestuurd. Hij heeft nooit ingezien aan wat hij was ontsnapt. 

Dat was een belangrijke les die ik heb moeten leren: in dit beroep maakte je niet gemakkelijk vrienden en had je tegen wil en dank vijanden.

dinsdag 17 mei 2016

Medicatie – nieuw is niet altijd beter!

Het was de beurt aan Suzanne. Ze trad het kabinet binnen met haar baby op de arm. Al bij haar binnenkomst vermoedde ik een beetje wat er aan de hand was. De kleine, 4 maanden oud, reutelde zwaar. Hij had de afgelopen nacht 39°koorts gemaakt en was heel lastig.


Hij had zijn flesje met veel moeite gedronken en was af en toe uit ademnood moeten stoppen. Tot overmaat van ramp was na een zware hoestbui alle melk er weer uitgekomen. Die ochtend was hij zo tam als wat. De problematiek was mij maar al te goed bekend. Na onderzoek was ik zeker: hij had een bronchiolitis, meestal een RSV infectie. De beelden van lang geleden kwamen me weer voor de geest: onze eerste baby had hetzelfde doorgemaakt op drie maanden. Toen hadden we een hospitalisatie net kunnen vermijden, enerzijds omdat we zelf dokter waren en anderzijds omdat onze kleine wel goed in het vlees zat en enige reserve had. Deze kleine pruts was zo frèle en de mama liep er erg ongerust bij. Het was beter naar het ziekenhuis te gaan voor de eerste aerosol beurt en om te controleren of de zuurstof saturatie voldoende bleef en de kleine niet deshydrateerde  gezien hij zo moeilijk dronk. 

Ik miste in deze situatie mijn vroegere medicijn ”brontine”. Een oude pediater leerde het me kennen en mijn eigen baby en zovele anderen had ik hiermee kunnen helpen bij deze hypersecretoire longinfecties. Ik liet het medicament prepareren bij de apotheker in een minuscule dosage, in geluletjes. Die moesten dan in de voeding vermengd worden. Het deed mirakels! Spijtig genoeg werd het uit de handel genomen. 

Ook de perdolan van heel lang geleden (de combinatie paracetamol en acetylsalicylzuur) mochten we niet meer gebruiken, maar die was tien keer doeltreffender dan de huidige. De hoge koortspieken waren veel gemakkelijker onder controle te houden. Ik heb er nooit iets mee voorgehad, maar nu werd dit afgeraden omdat er 1/ 10000000 kans bestond op een zware complicatie (het zogenaamde syndroom van Reye). Jammer! Je kon het als arts ook niet meer riskeren het te gebruiken, want het moest je maar overkomen dat een kind die zeldzame complicatie deed en je carrière ging eraan. Gek, want we hadden het zo vaak voorgeschreven, en onze kinderen hadden het ook geslikt! Zo verging het vele medicijnen. 

Oude vertrouwde formules werden uit de markt gehaald om ze al dan niet te vervangen door nieuwe. Waar was de goeie oude “Theralenesiroop” waarmee we voorzichtig omsprongen maar toch zeer vele kindjes met neusverstopping en verkoudheden hadden kunnen helpen en ouders een betere nachtrust bezorgen? Oh wee wiegedoodgevaar werd geopperd.

Waar was de deugddoende “librax” die alle gestresseerde maaglijders wel zullen kennen en die zo vele psychosomatische klachten uit de wereld hielp? Vermoedelijk werd deze veel misbruikt!

De “Theophylline” die de astmalijder onmiddellijk verlichting bracht? De inhalatoren namen het over.

De “Balsoclase“ die zelfs bij kleine baby's mocht gegeven worden? Echt jammer, maar vermoedelijk ook verdwenen omwille van mogelijk sedatief effect op te jonge kinderen.

Soms kreeg ik de indruk dat al die handige en vrij ongevaarlijke hulpmiddeltjes systematisch uit de rekken van de apotheek verdwenen. Ze waren goedkoop en efficiënt. Nu kwamen er nieuwe medicijnen die zeer duur waren en hun veiligheid nog moesten bewijzen op lange termijn... Daar was ik zeer sceptisch over. En effectief, sommige van deze nieuwkomers was maar een kort leven beschoren. Bij intensief gebruik op grote schaal doken dan toch onverwachte bijwerkingen op en moest het voorschrijven aan banden gelegd worden, hetzij volledig hetzij met beperkingen. 

Nieuwer is niet steeds beter, ook niet in geneeskunde. Een voorzichtig, kritisch en veilig voorschrijven blijft de boodschap.

 

woensdag 4 mei 2016

Een enorme angst om te sterven

Er lagen een bloemkool en twee courgettes op de grond voor de trap, toen ik die ochtend naar beneden kwam, gereed om de consultatie te beginnen. Geen briefje met een naam erop, geen klein woordje uitleg. Van wie? Waarom? Ik kon dus niet meteen de gulle gever bedanken.


Ik vermoedde ergens wél dat Freddy de lekkere groenten voor ons had achtergelaten. Hij was de enige zoon van een boerkozenfamilie die nog actief was in de streek. Hij stond dus rechtstreeks aan de bron van heerlijke ambachtelijk gekweekte natuurproducten. Ik wist ook dat hij zich steeds schaamde wanneer hij voor de zoveelste keer met dezelfde klachten langskwam en ik alle moeite van de wereld moest doen om hem weer van zijn fobische gedachten af te brengen. Hij ging dan meestal gerustgesteld naar buiten na de consultatie, maar spijtig genoeg was het gunstige effect van onze gesprekken en vooral mijn gepreek al snel weer uitgewerkt. Langzaamaan kregen zijn angstige gedachten opnieuw de overhand en kwam hij drie, vier weken later weer met de zelfde problemen op raadpleging. 

Freddy werd voortdurend geplaagd door een enorme schrik om te sterven. Meestal vreesde hij te lijden aan een of andere kanker. Hij voelde een bolletje in zijn nek: hij moest wel bloedkanker hebben! Hij liep rond met een langdurige kuchhoest: hij had longkanker. Hij werd geplaagd door lage rugpijn: hij had zeker botkanker. Gelukkig kende ik hem goed na die vele jaren. Het bolletje in zijn nek bleek een ontstoken haarfollikel. Zijn hoest was te wijten aan een allergie. En zijn rug had maar al te veel te verduren gekregen van het langdurig gebukt werken op het veld. Toch was zijn bezoek telkens een uitdaging voor mij.

Zeker zijn dat zijn klacht banaal was… Dat was absoluut noodzakelijk. Liefst zonder steeds grote onderzoeken te moeten plannen. Als het aan hem lag, moest ik telkens opnieuw bloed afnemen, radiografieën laten maken of misschien zelfs een “total body scan”. Dan pas ging hij gerust zijn, zei hij. Als ik hem moest geloven, ging hij al tien keer dood.

Dus, na het nodige klinische onderzoek startte ik elke keer weer met al mijn overredingskracht een psychologisch gesprek. "Dat het nuttig was dat hij met zijn angsten niet te lang bleef lopen, want dat die dan grotere proporties aannamen.” "Dat hij niet steeds als eerste oorzaak van zijn klachten een kanker moest vermoeden. "Dat er zoveel meer courante redenen zijn om die klachten te verklaren.” "Dat hij zeker zelf geen medische boeken of internet sites mocht raadplegen, want dat die zijn paniek nog zouden voeden.” Enzovoort, enzoverder.

Hij was niet de enige patiënt met een beklemmende fobie voor ziektes en dood. Meer mensen zaten met die angst. Misschien omwille van de toegenomen informatie in de media? Een regelmatig ondersteunend gesprek deed deugd en hield hen weer tijdelijk boven water. Als het kon, gaf ik liever geen medicatie.

Voor mij waren deze mensen risicovolle patiënten. Het was telkens oppassen geblazen, want stel je voor dat hun klacht op een dag toch ernstig was ...

vrijdag 22 april 2016

Achter gesloten deuren

Mevrouw Anita B. zat in de wachtzaal met een windel rond haar gezwollen arm. Haar gezicht was vertrokken van pijn en ze had duidelijk geweend. Anita had twee kinderen en haar echtgenoot leidde een goed draaiend bedrijf. Een welgesteld gezin.

Ze had een bad genomen en was uitgegleden op de natte vloer. Zo had ze zich bezeerd. Vertelde ze.


De letsels waren ernstig en mogelijk zat er zelfs een fractuur onder de zwelling. Er moest een radiografie genomen worden en waarschijnlijk zou ze een gips nodig hebben. Anita sputterde tegen. Ze wilde niet graag naar het ziekenhuis want de tweeling ging wat later thuis komen van school en ze moest nog warm eten maken voor haar man, klonk het.

Toen ik aandrong om toch naar de spoeddienst te gaan en voorstelde om haar man te verwittigen en in te lichten over de ernst van haar verwonding, panikeerde ze bijna. Ze gaf aan dat ze dan zelf wel naar het ziekenhuis zou gaan. Ik moest niets doen en zeker meneer niet verwittigen.

Later is Anita nog teruggekomen.
Een keer met schaafwonden en een keer vol blauwe plekken.

Binnen dit gezin gebeurden zaken die door niemand werden vermoed... Anita wist dat ik haar geheim kende. Ze nam telkens gewillig de telefoonnummers en adressen mee die ik haar aanbood om hulp te zoeken bij sociale dienst en speciale opvang, maar maakte er nooit gebruik van.

De kinderen vertoonden nooit verdachte letsels, maar hun mama werd een paar keer lelijk toegetakeld. Ze heeft nooit toegestemd hier verder mee te gaan en verplichtte mij tot zwijgen. Ze hield van haar man, zo zei ze, en ze zou nooit haar gezin omwille van deze uitzonderlijke voorvallen laten kapotgaan. Tenminste zolang haar zoontjes gespaard bleven!

Waarschijnlijk is er meer familiaal geweld binnenskamers dan we weten. Akelig dit van kortbij mee te maken.

donderdag 14 april 2016

Als het hart het (even) begeeft ...

Hij lag op grond in de hal. Zijn vrouw had me dringend laten komen omdat hij plots onwel was geworden. Met wat hij me nog bewust kon vertellen, was ik zo goed als zeker van de diagnose. Pijn in de borst, misselijkheid. En ik zag hem zweten... 


Anno 1980

Een infarct. Veel kon ik niet doen. Er was ons tijdens de studiejaren op het hart gedrukt de patiënt vooral rustig te houden, paniek te vermijden (zelfs de sirene van een ambulance zou de angst kunnen verergeren!), de patiënt in stabiele zijligging te leggen en iets toe te dienen voor de pijn en bloeddruk en hartslag in het oog te houden tot wanneer de ziekenwagen er was. In het ziekenhuis zou het er vooral op aankomen verwikkelingen zoals ritmestoornissen of hartsdecompensatie tijdig te onderkennen en te behandelen. Mijn eigen schoonvader stierf in het ziekenhuisbed aan een infarct, dus het liep al eens slecht af.

Anno 2000

Meneer DG belde die een ochtend rond 5 uur met hevige pijn op de borst en kortademigheid. Ik snelde ernaartoe want dit klonk als een hartaanval. Zijn pols was zwak en zijn bloeddruk laag. Ik diende onmiddellijk aspirine toe en medicatie om de pijn te bestrijden. Het voelde alsof hij naar het toilet moest gaan, zo zei hij. Dat was nog alarmerender! De ziekenwagen was al meteen gebeld met de MUG. Ik wist dat ik intussen vooral geen intramusculaire inspuiting mocht geven want dat kon de behandeling in het ziekenhuis bemoeilijken. Daar had men intussen al nieuwe methodes van trombus-oplossing ter beschikking. Alles moest nu supersnel gaan: ik kon best al een EKG aanleggen, dan hadden de spoedartsen al een eerste blik op de toestand. Het kwam erop aan binnen het halfuur in een hartcentrum te geraken. Met loeiende sirene kwamen er twee wagens aan in de straat: de MUG en een gewone ambulance wagen. De hele buurt was gealarmeerd en mensen stonden op straat om de gebeurtenissen van dichtbij te kunnen volgen. Het was zaak om snel met de patiënt weg te razen om zo spoedig mogelijk een coronarografie te verkrijgen en zelfs een stent te zetten indien nodig.

Anno 2010.

Xavier, 79 jaar, zit in de wachtzaal rustig zijn beurt af te wachten. Met een door pijn vertrokken gezicht vertelt hij: Sinds vanochtend heb ik pijn, hoog in de maagstreek. Mijn eten verteert niet goed, denk ik. En ik heb het ook wat op mijn adem. Ik zweet ervan! Bij nader doorvragen en onderzoeken stel ik vast dat hij een hartinfarct doormaakt! Zelfs op het cardiogram zie ik al signalen (wat niet altijd het geval is bij een beginnend infarct) Verbaasd dat hij met zo’n pijn naar de raadpleging kon komen maar vooral bekommerd, wil ik hem onmiddellijk laten ophalen door een ambulance. Maar ik krijg meteen verweer: "Neen, neen, Ik wil niet naar de kliniek! Ik wil dat je me thuis verzorgt!"
Niet de eerste patiënt "van de oude stempel" die nog nooit een voet heeft gezet in het hospitaal. In deze tijd is dat een probleem. In deze tijd is de optie thuisblijven met een infarct niet meer aan de orde, zelfs not done. Als er een complicatie zou optreden ben ik als dokter onmiddellijk de schuldige, de nalatige. Anderzijds heb ik het gevoel dat ik hem de vrijheid om over zijn eigen leven te beslissen afneem. Ik leg hem uitvoerig de risico's van zijn beslissing uit. Na lang aandringen laat hij mij een bloedname verrichten die ik dringend laat onderzoeken. Als deze een verhoging van troponines aantoont (het ultieme bewijs van de diagnose) zal hij zich alsnog laten opnemen. Gelukkig werk ik samen met een erg gedienstig labo en kan ik de uitslag zeer snel bekomen. Intussen ligt Xavier op een bed in mijn tweede kabinet, toch een beetje onder controle. Zijn dochter komt eraan en samen vertrekken ze in hun eigen wagen naar de spoeddienst, waar ze veilig en wel aankomen. Xavier herstelt zonder te grote interventies goed van zijn infarct na een weekje kliniek. Oef! Hij was verzoend met het compromis. 

donderdag 7 april 2016

Terwijl (bijna) iedereen aan het slapen is ...

Het was een merkwaardige drukke wachtdienst dat weekend, in een verder redelijk rustig seizoen. De oproepen kwamen voortdurend in salvo's, en tegen zondagavond was het helemaal te bont.

 


22 uur, pikdonker buiten. De telefoon rinkelde en een man, die verdacht dronken klonk, zei lallend: "Ik zou een huisbezoek willen voor mijn dochter."
"Wat is er aan de hand, aub?” vroeg ik.
"Ze hoest al weken, maar nú is het zeker bronchitis!"
De man leek helemaal niet in staat eventueel nog medicatie te gaan halen en ik vroeg vriendelijk of de dochter koorts had, al dan niet kortademig was en of het gezien de niet alarmerende symptomen eventueel tot morgenochtend kon wachten. Prompt werd de telefoon in de haak gesmeten, zonder mij de tijd te gunnen een afspraak te maken of nog enig verder woord uit te brengen.

Nog geen 10 minuten later belde Mevrouw VD uit de Zeppestraat, in paniek: “Vlug, vlug, dokter, mijn moeder is echt niet goed! Ik denk dat ze iets aan het krijgen is!"
Ik reed er onmiddellijk naartoe. Dit was ernstig, waarschijnlijk een hartinfarct. Ik bleef wachten tot de ziekenwagen de moeder in kwestie oppikte.

23 uur, opnieuw telefoon. Mevrouw VR wou een visite voor haar zoon, die keelpijn had. Ik viel bijna achterover. We leefden in een tijd waarin  tijdschriften en media overvloedig berichtten over hoe kleine kwalen aan te pakken en hoe te reageren bij frequente aandoeningen. Dit was niet ernstig. Maar het misnoegen van de dame, wanneer ze met advies over pijnstilling naar de volgende ochtend werd verwezen, was merkbaar groot. Nochtans kon ik haar niets beters bieden voor deze nacht gezien ze blijkbaar al op eigen houtje met antibiotica was gestart eerder die ochtend...

23:30 uur. Ik was net klaar met een hechting in het kabinet toen we melding kregen van een “accidentje" aan de sportclub. De avond was blijkbaar nog jong! Ondersteund door twee vrienden werd Sven binnengebracht. Hij was, stomdronken, letterlijk in de goot gevallen op weg naar zijn auto… Hij was dus effectief van plan geweest weg te rijden! Bij de valpartij had hij zijn knie helemaal opengereten. Zo goed en zo kwaad als ze konden, hadden zijn kompanen een zakdoek rond zijn knie gebonden, hem in hun wagen geladen en naar ons huis gebracht. Het drietal stond er niet al te appetijtelijk bij voor onze voordeur.
Alle drie hadden ze een voetbalmatch achter de rug. Ze waren daarna aan de toog van het clubcafe hun overwinning gaan vieren, met de huidige toestand tot gevolg. Het was een zicht! Hun kleren zaten onder de modder en hun benen droegen nog de sporen van het talrijke glijden en vallen in het gras. Het slachtoffer hing tussen zijn vrienden in met de bebloede vieze zakdoek rond zijn knie.
Hij was nog maar net de deur binnengedragen of hij kotste de hal onder! Mijn God, wat een smurrie! Walter, één van zijn helpers, die eigenlijk bij mij patiënt was, bekeek me verontschuldigend. Hij schaamde zich over de situatie en zei dat hij beter met zijn vriend naar een spoeddienst zou rijden. Maar het onheil was al geschied…
De wonde op zich was oppervlakkig en zou zelfs zonder anesthesie genaaid kunnen worden gezien de bedwelmde toestand van Sven. De gangvloer was toch al vies en Walter stelde voor alles op te kuisen terwijl ik Sven verzorgde. Die stak ik snel een wegwerp-nierbekken onder de neus om bij een nieuwe braakaanval bevuiling van mijn onderzoekstafel te voorkomen. De ontsmettingsprocedure duurde langer dan het naaien zelf maar nooit was een patiënt zo rustig geweest tijdens een hechting! Dat moet gezegd worden :-)

Toch was de nacht nog niet om.
Om 1:45 uur kon ik mijn  pyjama alweer inwisselen voor de werkkledij. Hup! Hup! Naar het naburige dorp voor acute buikpijn. Vermoeiend, zo'n avond, maar deze oproep was weer terecht. De mensen waren ook ongelooflijk dankbaar, wanneer je met een spuit een niercrisis snel onder controle kreeg. Dat deed erg veel en maakte me gelukkig!

3 uur. Ik had last mijn telefoon terug te vinden op de nachtkast, zo vast was ik in slaap. De Rijkswacht! Of ik een bloedstaal kon afnemen van een bestuurder die een ongeval had veroorzaakt? Wat een geluk dat ze zich van regio vergist hadden. Ik kon hen verwijzen naar de naburige wachtdokter. Pech voor hem!

Maandag, 7 uur. Daar had je de wekker. Nog een uurtje en de wacht zat erop.

We konden de werkweek “fit” starten :-)




dinsdag 29 maart 2016

Anno 1969: de student(e) geneeskunde

Voor een vrouwelijke studente anno 1969 betekende een kot zoeken niets meer of minder dan een plekje bemachtigen in één van de grote meisjeshuizen, vergelijkbaar met internaten. Jongens niet toegelaten. Bovendien oefende de directie redelijk wat controle uit op je doen en laten. 

Van toelatingsexamens geneeskunde was nog geen sprake in die tijd. Als je geslaagd was op je maturiteitsproef in het laatste jaar van de humaniora, mocht je starten. Maar pas dan kwam de kat op de koord. Je kon je comfortabele klasje van 18 leerlingen wel vergeten. In plaats daarvan belandde je in wellicht het 'grootste' jaar aller tijden in de geschiedenis van de geneeskunde in Leuven…


 
We waren met zo'n 900 studenten in het eerste jaar… Heel veel jongens en een klein beetje meisjes. Dit was wennen! De “porren” - want zo werden de meisjesstudenten genoemd - moesten op de eerste rijen gaan zitten. Had de prof zo een goed zicht op het vrouwelijk schoon? Was het een manier om aanwezigheden  te controleren? Of  konden de jongens die zich tijdens de les verveelden op die manier een grondige studie maken van het aanwezige vrouwvolk? In die jaren hadden de meisjes die voor dokter studeerden de reputatie niet de schoonste te zijn maar wel slim. De weinige mooie exemplaren die er tussen zaten waren vooral met deze lange studie gestart met de bedoeling een goeie partner aan de haak te slaan. 

Geen aula was groot genoeg om ons allen van een plaatsje te voorzien en dus werden we in 2 groepen verdeeld: van de A tot de P en van de O tot de Z. Tijdens de eerste les anatomie zei de sympathieke prof: "Kijk maar eens links en kijk maar eens rechts van u naar uw medestudenten. Onthoud goed: Slechts 1 van jullie 3 zal op het einde van het jaar overblijven!” Onze moed zakte meteen in onze schoenen. 

De uitslag van de partiële examens in januari deed sommigen al opgeven. Zo weinig punten voor zo veel werk, dat zagen ze niet meer zitten. Anderen kregen net het nodige duwtje in de rug om een betere studiemethode aan te vatten om de grote hoeveelheid stof te kunnen verwerken, en dat loonde meestal op het einde van het academiejaar. Er waren echter andere redenen genoeg om er alsnog de brui aan te geven...

De praktijklessen anatomie hadden plaats in een gekoelde zaal met een tiental metalen bedden waarop lijken (weliswaar respectvol) waren neergelegd. Ze waren meestal reeds voor een deel gedissecteerd. Het rook er zo sterk naar formol dat je al bij het binnentreden van de zaal een zekere remming voelde. Maar voor sommige studenten (nb. niet alleen meisjes) veroorzaakte het manipuleren van pincetten, op zoek naar een of andere “musculus” of “vena” in die dode lichamen, teveel weerzin. Vooral de eerste maanden moest er regelmatig eentje buiten gedragen worden of haakte er iemand af.

De cursus dierkunde dan, dat was eenvoudigweg een encyclopedie. We moesten de hele systematiek van insecten, inclusief hun Latijnse namen, memoriseren en de beestjes kunnen herkennen in de potjes waarin ze op formol bewaard bleven. Talloze avonden vertoefden we in het labo met onze neus tegen de vitrines, in een ultieme poging de diertjes uit mekaar te houden en te benoemen. Door de jaren heen had hier en daar een spin of mug een poot verloren of plakte een vleugeltje onmerkbaar tegen het achterlijf, waardoor het beest verward kon worden met een soortgenoot. Je moest dus echt ook wat geluk hebben.

Mijn examen plantkunde vergeet ik nooit. De week voordien beleefde ik de schrik van mijn leven. Tijdens de middagpauze en het middagmaal in het self-service-restaurant van het meisjescentrum waar ik en mijn vriendinnen logeerden, legden we altijd onze cursussen in de daarvoor bedoelde vakjes van de vestiaire. Eten moest snel gaan want het was "blok”. De onthutsing was enorm toen ik na amper een half uurtje mijn spullen uit de kleedkamer ging ophalen: mijn cursus was weg! Ik moet toegeven: hij was zeer doeltreffend en kleurrijk onderstreept, met mooie schetsen ernaast. Voor mij "instudeer-klaar" en dus was dit een regelrechte ramp! In allerijl schafte ik een blanco cursus aan (het was alsof ik nooit naar de les geweest was!) en leende ik het exemplaar van een bereidwillige vriendin om zo opnieuw alle tekeningen en bijzondere weetjes over te nemen die wij als trouwe lesgangers genoteerd hadden. Ik was er alsnog door! Teleurstellend was het wel, dat er personen met lange vingers rondliepen in ons jaar. Want wie anders kon met mijn cursus iets aanvangen? Hij of zij zou ooit ook dokter worden, toch? 

Toen ik in de derde kandidatuur belandde, had ik de grootste selectie en afvallingskoers wel achter de rug. Dat betekende dat mijn einddroom in zicht kwam… Bovendien ontmoette ik dat bewuste jaar totaal onverwacht mijn toekomstige man (al beseften we dat beiden op dat ogenblik nog niet, natuurlijk!). En nog wel tijdens een busrit voor een of andere betoging. We raakten aan de babbel en stopten niet meer. Een zielsgenoot. Het was de start van jaren lang naast mekaar in de les zitten, samen eten, studeren en nog veel meer. U dacht toch niet dat we na drie jaar studie al iets van geneeskunde afwisten?